
Oostende, in corona-tijd…
Op loopafstand van het station – waar anders? – zitten ze achter glas. De klandizie blijft weg. Het zijn zware tijden, nog zwaarder dan anders. Onnodig glimlachen of draaien met je kont is dodelijk vermoeiend, maar met de helft van hun gezicht achter filterpapier of fleurig katoen is het ondoenlijk om potentiele klanten te onderscheiden van de pottenkijkers.
De wijk heet het Hazegras. Het Hazenpad was misschien een betere naam, vanwege de klanten die er na een kwartier met de staart tussen de benen vandoor gaan, maar waarom zou je iets veranderen wat gaat verdwijnen?
De vrouwen moeten weg, al jaren. Ze zijn een doorn in het oog van projectontwikkelaars die hier betonnen woontorens willen neerplanten, zogenaamd om de wijk te verbeteren, maar ze verbeteren slechts hun bankrekening. Jarenlang is er al gehakketak, toch gaan ze de strijd winnen. De meeste vrouwen zijn al weg, in de Vooruitgangstraat zitten er nog een paar, in smoezelige bouwvallen, met uitzicht op grijze panelen. Vooruitgangstraat, zoiets verzin je toch niet? Halverwege blokkeren geel geschilderde betonnen blokken de doorgang van autoverkeer. Ze zijn veruit het best onderhouden onderdeel van de straat.
Er is een nieuwe locatie gevonden, op de oostelijke oever, uit het zicht, in een vervallen pakhuis. Het wordt gerenoveerd. Het wordt vast heel netjes, veilig en schoon. Hangaar d’Amour, een pakhuis voor levend vlees dat regelmatig gekeurd wordt. Toch nog vooruitgang.
Het oude Hazegras gaat verdwijnen. Kun je vooruitlopen op weemoed? Kun je missen wat er nog is? En is dat wel gepast, in dit geval? Misschien heeft mijn gevoel niets met weemoed te maken, maar is het gewoon valse romantiek.










