Hazegras

Foto: Grand Foulard/Google Street View

Oostende, in corona-tijd…

Op loopafstand van het station – waar anders? – zitten ze achter glas. De klandizie blijft weg. Het zijn zware tijden, nog zwaarder dan anders. Onnodig glimlachen of draaien met je kont is dodelijk vermoeiend, maar met de helft van hun gezicht achter filterpapier of fleurig katoen is het ondoenlijk om potentiele klanten te onderscheiden van de pottenkijkers.

De wijk heet het Hazegras. Het Hazenpad was misschien een betere naam, vanwege de klanten die er na een kwartier met de staart tussen de benen vandoor gaan, maar waarom zou je iets veranderen wat gaat verdwijnen?

De vrouwen moeten weg, al jaren. Ze zijn een doorn in het oog van projectontwikkelaars die hier betonnen woontorens willen neerplanten, zogenaamd om de wijk te verbeteren, maar ze verbeteren slechts hun bankrekening. Jarenlang is er al gehakketak, toch gaan ze de strijd winnen. De meeste vrouwen zijn al weg, in de Vooruitgangstraat zitten er nog een paar, in smoezelige bouwvallen, met uitzicht op grijze panelen. Vooruitgangstraat, zoiets verzin je toch niet? Halverwege blokkeren geel geschilderde betonnen blokken de doorgang van autoverkeer. Ze zijn veruit het best onderhouden onderdeel van de straat.

Er is een nieuwe locatie gevonden, op de oostelijke oever, uit het zicht, in een vervallen pakhuis. Het wordt gerenoveerd. Het wordt vast heel netjes, veilig en schoon. Hangaar d’Amour, een pakhuis voor levend vlees dat regelmatig gekeurd wordt. Toch nog vooruitgang.

Het oude Hazegras gaat verdwijnen. Kun je vooruitlopen op weemoed? Kun je missen wat er nog is? En is dat wel gepast, in dit geval? Misschien heeft mijn gevoel niets met weemoed te maken, maar is het gewoon valse romantiek.

Einde

Foto: Grand Foulard

Als ik op het strand van Oostende sta,

en ik kijk naar zee,

dan begrijp ik de flat earthers.

De wereld eindigt hier.

Aan de horizon stopt het.

Daarachter is niets meer,

misschien een ring van ijs.

Als ik op het strand van Oostende sta,

en ik kijk naar zee,

dan denk ik aan Testerep,

eilandje diep onder de golven,

waar het oude Oostende eens was.

Als ik op het strand van Oostende sta,

en ik kijk naar zee,

dan voel ik dat niets eindig is

en alles voorbijgaat.

Echt

Foto: Grand Foulard

In MuZee zien we ‘Idylle aan het strand’, een film uit 1931 van de Oostendse cineast Henri Storck (1907-1999). Twee jonge mensen met prachtige atletische lichamen worden verliefd op het strand. Hun samenzijn wordt bedreigd door zijn militaire dienstplicht en haar strenge moeder, maar als ze die weten te ontvluchten zijn ze volmaakt gelukkig en vrij. Ze ontdoen zich van hun kleding, ze dansen, spelen met het warme zand.

De mooie jonge vrouw luistert naar het ruisen van de zee in een grote schelp. Ze laat de man luisteren. Imitatiegeruis, terwijl het echte ruisen om hen heen te horen is.

Die schelp, realiseer ik me, is een ‘prop’, een rekwisiet, want aan het strand van Oostende vind je dat soort schelpen niet. Misschien nam James Ensor, die in de film figureert, hem voor Storck mee. De moeder van Ensor had een schelpenwinkel op de hoek van de Van Iseghemlaan en de Vlaanderenstraat.

Langs de Zeedijk, tussen skelterverhuur en wafelbakker, zit een winkeltje met snuisterijen. Buiten staan rieten manden tot de rand toe gevuld met schelpen. Mensen kijken ernaar, wegen ze in hun hand. Zijn ze echt? Ze zien er te gelikt uit, tropisch, misplaatst. Een enkeling durft te luisteren naar het imitatiegeruis. Ze worden niet gekocht.

Lido

Foto: Grand Foulard

Vaak, misschien te vaak heb ik ernaar gekeken, naar de YouTube-video ‘Oostende’ van Spinvis, het openingsnummer van het album ‘Tot ziens, Justine Keller.’ Justine Keller staat eigenlijk voor de Zwitserse actrice Marthe Keller. Net als Erik de Jong/Spinvis was ik verliefd op haar. We zagen haar voor het eerst in 1972, in de Franse televisieserie ‘De jonkvrouw van Avignon’. Ik was acht, Erik elf, dus ik maakte bij Marthe geen schijn van kans.

In de video – flarden van Oostende – komt het verlaten strand van het Lido voorbij, afgebakend door een witgeschilderd hekje, een poortje leidt naar zee. ‘Lido’, dat woord kan ik niet meer lezen zonder aan die video te denken. Mijn eigen weemoedige gedachten zijn erdoor verdrongen. De geschiedenis herhaalt zich nooit, maar Spinvis heeft weer gewonnen.

Verval

Foto Grand Foulard

De Koninklijke Gaanderijen, eens bepalend voor de grandeur van de stad, nu vervallen tot weemoedige bouwsels. Ze werden aangelegd om Leopold II te beschermen tegen zon, wind en regen als hij met zijn gevolg van zijn chalet naar de Wellingtonrenbaan flaneerde.

De tweede koning van België hield van comfortabele verbindingen. Zo liet hij ook een ondergrondse tunnel aanleggen van zijn Koninklijke villa naar Villa Caroline, aan de overkant van de straat, om discreet zijn maîtresse Blanche Delacroix te kunnen bezoeken. Blanche was een zestienjarige prostituee toen ze Leopold in 1900 ontmoette. Leopold was toen 64. Direct na zijn overlijden, liet zijn opvolger Albert I de tunnel instorten.

Als je niet beter weet, zou je kunnen denken dat de gasten op het terras van Brasserie Albert hun garnalenkroketten coronaproof naar binnen werken, maar de houten bekistingen die de tafels van elkaar scheiden dienen ter camouflage van knalgele stutten. Ook de Koninklijke Gaanderijen staan op instorten.In het voorjaar van 2017 vielen ‘plotseling’ brokstukken uit het plafond. Zo plotseling was dat niet. De zuilengalerij, gebouwd tussen 1902 en 1906, is al jaren in verval. De stutten moeten erger voorkomen, in afwachting van de renovatie. Die wordt voortdurend uitgesteld. Want hoeveel gaat het herstel kosten, en vooral: wie draait ervoor op?

In afwachting van die beslissing loop je het risico om dodelijk getroffen te worden door een brok Euvillesteen, een brok Frans kalksteen waar Leopold meer dan honderd jaar geleden onderdoor is geschuifeld, op weg naar de paardenraces in het hippodroom. Kan het weemoediger?

Maar…. goed nieuws! In september 2025 is eindelijk de renovatie van de Koninklijke Gaanderijen gestart!

Net echt

Foto Grand Foulard

Ik ben misschien te laat geboren. Ik had Jacques Brel graag in het echt zien optreden. Misschien hier, in het Kursaal, in de zomer van 1963. Of bij zijn legendarische afscheid in het Parijse Olympia, in oktober 1966. Veel mensen denken dat hij daarna stopte. Ze herinneren zich zijn dankwoord na afloop. Moe en bezweet verscheen hij in zijn gestreepte peignoir voor het publiek dat twintig minuten lang zijn naam bleef scanderen: ‘Jacky! Jacky!’ Maar na Olympia volgden nog optredens in Brussel, Marokko, Québec. Zijn allerlaatste optreden was in het casino van Roubaix, op 16 mei 1967.

Ik heb geen memorabele optredens mogen meemaken. Of toch. Begin jaren tachtig. Toontje Lager in de Heerbaan, een sporthal in Breda. Mijn eerste concert, misschien is het me daarom bijgebleven. Ik was negentien. Ze speelden ‘Stiekem gedanst’. De gitarist deed een solo met zijn gitaar achter in zijn nek, meisjes vielen flauw, er werd er zelfs een met een ambulance afgevoerd. Het was net echt.

Verloren

Langs de toegangsweg naar het strand staan manshoge zuilen van verweerd plexiglas. Ze zijn gevuld met kleurrijke stukken plastic en ander afval, netjes gesorteerd. Eén voor dopjes, één voor flesjes, één voor sigarettenpeuken. En, opvallend, één met niet-coronaproof afval ‘dat in of rond de mond heeft gezeten van onbewuste mensen’: mondkapjes, sigarettenpeuken, lepels, rietjes, bekers, blikjes.

De zuilen hebben als doel om ‘onbewuste mensen’ bewust te maken, maar natuurlijk werkt dat niet. Ze zullen bij die zuilen hooguit denken: blijkbaar zijn er idioten die mijn troep opruimen en ook nog de moeite nemen om die te sorteren. De organisatie die de zuilen heeft geplaatst, weet dat natuurlijk ook en doet door middel van affiches een beroep op de milieubewuste strandganger om na elke wandeling een beetje troep van een ander mee te nemen. ‘Zo houden we samen het strand schoon’.

Wat veel meer indruk maakt, zijn de trossen schoenen en slippers die aan een dranghek zijn geknoopt. De aanblik van dat schoeisel stemt weemoedig. Ik voel de neiging om het strand af te speuren naar de ontbrekende helften die nu ergens als een verweesde babyzeehond in de branding liggen te krijsen. Nu weet ik ook waarom die schoenen hier hangen en niet in een plexiglazen zuil zijn beland. Ze zijn niet weggegooid, maar verloren. Dat maakt een groot verschil.

Zeezicht

Foto: Grand Foulard

In Oostende wordt voortdurend gesloopt. Het zwembad aan de Koninginnelaan is vrijwel verdwenen. Het brutalistisch gebouw, in 1976 ontworpen door architecten Paul Felix en Jan Tanghe, werd door de gemeenteraad niet voldoende gewaardeerd om het te restaureren. Het lijkt me vreselijk voor een architect om mee te maken dat je creatie wordt gesloopt. Zoiets als dat je boek in de ramsj belandt, maar dan tien keer zo erg. Gelukkig maken beiden het niet meer mee. Paul Felix overleed in 1981, Jan Tanghe in 2003.

Ook aan de zeedijk (de Albert I promenade) zijn twee appartementengebouwen gesloopt. Ze waren in slechte staat, beide hadden ‘geen architecturale waarde’, zoals dat heet. De bewoners van de erachter gelegen appartementen aan de Van Iseghemlaan hebben dankzij de sloop plotseling zeezicht. Maar niet voor lang.  Natuurlijk staat de nieuwbouw al gepland. Er komen een ‘handelspand’ op de begane grond en tien appartementen erboven. Die zijn ‘uitzonderlijk ruim en luxueus afgewerkt’, ze hebben een ‘uitzonderlijke gevelbreedte met frontaal zeezicht van meer dan 9 meter.’ De prijs is navenant. Maar hoe uitzonderlijk ook, ik voorspel dat ook die appartementen geen architecturale waarde zullen hebben. Lucebert zei het al: alles van waarde is weerloos.

Op de cent

Foto: Grand Foulard

De Koninklijke Stallingen aan de Koninginnelaan worden gerestaureerd. Voor een aanemingsbedrag van 3.267.179,36 euro. Je kunt erom lachen, om die begroting, tot op de cent nauwkeurig. Eén afgebroken schroef, één spijker die uit de mond van een timmerman valt en spoorloos in het metselzand belandt, en hij is al niet sluitend meer. Aan de andere kant, de boekhouder durft in ieder geval zijn nek uit te steken. Hij stelt zwart op wit wat het project gaat kosten, op een metersbreed spandoek, voor iedereen zichtbaar. Als de kosten met enige miljoenen worden overschreden – en dat gebeurt altijd – wast hij zijn handen in onschuld. Hij heeft zijn werk goed gedaan, elke cent kon hij verantwoorden. Ja, het zijn altijd de anderen die er een puinhoop van maken.

Hoek af

Foto: Grand Foulard

Brasserie Du Parc in Oostende is niet meer. Nu heet het Café Du Parc. What’s in a name? Op het eerste gezicht is er niets veranderd. Je kunt er nog steeds garnaalkroketten eten, verder is de menukaart flink versoberd. Behalve de prijzen dan. Maar vooruit, de renovatie moet ergens van betaald worden. Het art-deco-interieur bleef gelukkig behouden. Zelfs de tafeltjes met marmeren blad. Daarvan was geen hoek ongeschonden. En nog steeds is er een hoek af. Alleen is het een kaarsrechte hoek geworden, keurig glad gepolijst. Dat maakt ze toch minder echt. Het zal nog wel een paar jaar duren totdat ook die eraf zijn.