Pech

Jongen met halve fiets, fotocollectie Grand Foulard

Het lijkt een trucagefoto, met dat scherp afgesneden frame, alsof de rest – het stuur, de voorvork en het voorwiel – vakkundig zijn weggefotoshopt, maar ik vermoed dat het een ‘echte’ foto is. De fotograaf staat vermoedelijk te gieren van de lach achter zijn camera, maar bij de jongeman die het gehalveerde rijwiel vasthoudt kan er geen lachje vanaf. Sterker nog, hij lijkt geïrriteerd en weet er voor de foto nog een neutrale blik uit te persen.

Zijn ze met z’n tweeën op fietsvakantie? In die tijd – kort na de Tweede Wereldoorlog – ging je niet kamperen zonder dolk. Leende hij de fiets van zijn moeder, omdat die beter was dan zijn eigen barrel? Maar de fiets van ma bleek niet bestand tegen de zware beproeving van vele kilometers per dag en brak in tweeën. Na de eerste schrik begon de vriend te lachen. Het slachtoffer was nog niet zover. Gelaten liet hij zich fotograferen. Later zou ook hij om het voorval kunnen lachen, elk jaar een beetje meer.

Ramptoerisme

Kijkers bij gekantelde auto, jaren dertig, fotocollectie Grand Foulard

Wat trekt mensen toch om naar een ramp te gaan kijken? Is het leedvermaak? Illustreert het brandend pand of de gecrashte auto het risico dat we lopen en heeft het kijken een educatief karakter? Is het sensatiezucht? Ik denk vooral het laatste.

Ik herinner me een brand, niet ver van het huis waar we woonden. Mijn vader wilde erheen, met de auto. Mijn moeder vond dat een belachelijk idee, maar hij was niet tegen te houden. Hij nam mij met zich mee. Al bij het wegrijden van de parkeerplaats voor ons huis ging het mis: wellicht door de spanning draaide hij bij het achteruitrijden te stevig aan het stuur en klapte de auto met het rechter spatbord tegen de lantaarnpaal die op de stoep stond. We zijn niet meer naar die brand gaan kijken. Hoewel je mijn ouders geen praktiserende katholieken kon noemen, had mijn moeder het toch over een god die ogenblikkelijk straft.