Dood (2)

Af en toe figureer ik in een speelfilm of televisieserie. Althans, dat probeer ik. Het is namelijk helemaal niet zo eenvoudig om voor een figurantenrol geselecteerd te worden. Ook al hoef je niet meer te doen dan ergens te staan, lopen of zitten, je moet wel worden gecast. Soms lukt dat, meestal niet. Ook gisteren kreeg ik weer een afwijzing te verwerken. En dat terwijl ik alleen maar ergens dood op de grond zou moeten liggen. Kat in het bakkie, dacht ik. Niet dus. Er stond geen reden voor de afwijzing in de mail. Waarschijnlijk was er te veel animo, houd ik mezelf voor, hoewel de gedachte dat ik niet geschikt ben voor dode eigenlijk meer troost zou moeten bieden.

Fotocollectie Grand Foulard

Het blijft merkwaardig om een dode te fotograferen. Alsof je iemand bij leven niet of te weinig hebt gefotografeerd en dat manco probeert te herstellen. Wat moet je met zo’n foto?

Tot vroeg in de twintigste eeuw was het vrij gebruikelijk om iemand op zijn of haar doodsbed te (laten) fotograferen. De overledene werd keurig opgebaard, met gevouwen handen, gekamde haren, soms omringd met bloemen. De meeste mensen hadden zelf geen fototoestel, dus werd een echte fotograaf opgetrommeld. Met een foto werd het laatste eerbetoon vereeuwigd.

Misschien gebeurt dat nog steeds, misschien staan er op veel smartphones of in de cloud duizenden van dergelijke foto’s. Maar ik vermoed dat ze door niemand worden gezien. Waarom zou je de dood in de ogen willen kijken?

Dood

Is hij dood?
Hij lijkt dood. Althans, zo zien doden er in films uit, of op foto’s. Ik heb te weinig ervaring met echte doden om het zeker te weten. Hij ligt er wel heel vredig bij, in z’n keurige donkere pak. Zelfs de auto werkt mee. Hij is eenvoudig, maar donkerblauw en keurig gewassen. De man ligt er bijna bij als de doden op de foto’s van Elizabeth Heyert, alleen zijn openstaande mond valt wat uit de toon. Ik blijf een tijdje staan kijken, want het blijft vreemd, een slapende of dode man ’s ochtends om half negen in een drukke Rotterdamse straat.
Misschien is het zo’n iemand als Will Smith in ‘Pursuit of happyness’; straatarm, maar keihard werkend, op weg naar de top. Het enige dat hij bezit is de donkerblauwe auto en het nette pak. Het succes moet wel snel komen, want als je ook in je nette pak moet slapen, ziet het er al snel sjofel uit.
’s Avonds, als ik naar het station loop, is de auto weg. Pas enkele weken later wordt m’n vraag beantwoord: de auto staat er weer en opnieuw ligt de man met geopende mond achter het stuur. Gelukkig, hij was niet dood.
Maar die wetenschap lijkt nu zonder waarde…