Net echt

Foto Grand Foulard

Ik ben misschien te laat geboren. Ik had Jacques Brel graag in het echt zien optreden. Misschien hier, in het Kursaal, in de zomer van 1963. Of bij zijn legendarische afscheid in het Parijse Olympia, in oktober 1966. Veel mensen denken dat hij daarna stopte. Ze herinneren zich zijn dankwoord na afloop. Moe en bezweet verscheen hij in zijn gestreepte peignoir voor het publiek dat twintig minuten lang zijn naam bleef scanderen: ‘Jacky! Jacky!’ Maar na Olympia volgden nog optredens in Brussel, Marokko, Québec. Zijn allerlaatste optreden was in het casino van Roubaix, op 16 mei 1967.

Ik heb geen memorabele optredens mogen meemaken. Of toch. Begin jaren tachtig. Toontje Lager in de Heerbaan, een sporthal in Breda. Mijn eerste concert, misschien is het me daarom bijgebleven. Ik was negentien. Ze speelden ‘Stiekem gedanst’. De gitarist deed een solo met zijn gitaar achter in zijn nek, meisjes vielen flauw, er werd er zelfs een met een ambulance afgevoerd. Het was net echt.

Weg ding

Foto: Grand Foulard

In maart verbleef ik in Oostende om er te schrijven aan mijn nieuwe roman. Tussen het schrijven door bezocht ik de plekken die ik kende. Het weerzien is een belangrijk aspect van mijn liefde voor deze stad, ze fungeren als bakens, ze geven me houvast.

Een van die bakens bleek verdwenen, slechts een afdruk restte, een kader van roest en vuil op de kade van het Montgomerydok. Ook die afdruk zal op termijn verdwijnen, door weer en wind, desnoods met hogedrukspuit en chemische oplosmiddelen. Maar ik vermoed dat er geen energie in gestoken zal worden. Het object dat het spoor achterliet werd ook aan zijn lot overgelaten. Elk jaar werd de glazen plaat met inscriptie verder onleesbaar, elk jaar brokkelden meer fragmenten van het ijzeren onderstel.

Ik heb nooit begrepen wat het was. Het leek op een vitrine, een tafeltje op kitscherige poten, gestileerd als muzieknoten. Het was een ding. Een ding voor Brel. De grootste Belgische zanger ooit. Het heeft er slechts drieëntwintig jaar gestaan. Het leek veel ouder, maar verwaarlozing komt het uiterlijk nooit ten goede. Nu is het weg. Iemand vond het een doorn in het oog. Restaureren had geen zin meer, opnieuw fabriceren zou goedkoper zijn, maar ook dat gaat niet gebeuren. Het ding is weg. Weg is weg. Brel is dood. Geen haan die er nog naar kraait.

Ding

Foto: Grand Foulard

Ik had gehoopt dat er iets aan gedaan zou zijn. Een likje verf, een nieuwe gedenkplaat, maar helaas. Anderhalf jaar geleden was de staat waarin het verkeerde al erbarmelijk, nu nog steeds.

Op de Visserskaai staat iets wat lijkt op een krakkemikkige serveerwagen, of een afgedankt winkelwagentje. Door een magneetvisser opgedregd uit het Montgomerydok, denk ik, maar het is iets anders.

Het ‘ding’ vormt het onderstel van een transparante gedenkplaat, door weer en wind vervaagd. Met enige inspanning valt te lezen:

Het water, de zee, de Noordzee, la mer du Nord,

de aarde, het land, de polders, le plat pays

en de haven, de kade als brug, als poort.

Naar een open horizon op de universele klanken

van Le Plat Pays, Jacques Brel (1962)

Een monument voor de grootste chansonnier aller tijden. In 2005 eindigde hij nog als eerste in de grootste Belg-verkiezing van de Franstalige omroep RTBF. Bij de Vlaamse variant eindigde Brel als zevende. Hij lag vanwege zijn cynische teksten niet bij alle Vlamingen even goed.

Aan de overkant van het water, op de kademuur van de Sir Winston Churchillkaai, zijn de beginnoten van ‘Le Plat Pays’ aangebracht. De eerste noot werd op 20 april 1999 geschilderd door burgemeester Jean Vandecasteele. Tweeënhalve maand later moest hij weer opdraven, nu om het bovenbeschreven gedrocht te onthullen. Miche, de weduwe van Brel, was erbij. Ik vraag me af wat er op dat moment door haar hoofd ging. Misschien wel een zin uit ‘De nuttelozen van de nacht’: hun onmacht is hun hoogste macht.