Teksten

isbn 9789022334966
19,99 euro

Een stukje van de Proloog van ‘De verkeerde vriend’

‘Kon je het makkelijk vinden?’
Hij knikt. Hij kan moeilijk zeggen dat hij hier eerder is geweest, beneden, op het parkeerterrein en in de gemeenschappelijke hal. Ze geeft hem een hand. ‘Gina.’
Hij kan zo snel niets bedenken en mompelt ‘Hallo’.
‘Marcel?’ stelt ze voor. ‘Anders is het zo onpersoonlijk.’
Hij kent geen Marcel, dus dat is goed. ‘Oké.’
Ze gaat hem voor op hoge hakken, luid tikkend door de gang; een tunnel van laminaat. Ze opent een deur met geëtste bamboestengels op de ruit. Een radio staat aan.
‘Wil je eerst wat drinken? Wijn of liever een biertje?’
‘Liever iets fris. Water is goed.’
Terwijl zij naar de open keuken gaat, loopt hij in de richting van het balkon. Er staat een bierkrat met lege flesjes en de verdorde kerstboom. Zo kwam hij erachter waar het appartement zich bevindt. Hij vroeg hangjongeren terloops naar de flat van ‘die jongen met die dure auto’. Het balkon met de verdorde kerstboom. De derde flat van rechts, negen hoog. En zo kwam hij erachter wat zijn moeder doet. Een van die jongeren stak zijn duim tussen zijn wijs- en middelvinger en bewoog zijn tong tussen zijn lippen heen en weer, als een spartelend visje.
‘Hoog’, zegt hij, als hij voor het raam staat en uitkijkt over de wijk.
Vanaf hier valt De Kraal best mee: een fietspad dat slingert door uitbundig groen, grasveldjes met speeltoestellen en waterpartijen. Alles valt mee als je maar genoeg afstand neemt. Oorspronkelijk heette dit stadsdeel Het Collier, maar het project mislukte en het is bij één wijk gebleven. Het gemeentebestuur had nog voorgesteld om die dan maar De Parel te noemen, maar inmiddels was De Kraal al een ingeburgerde bijnaam, die bovendien beter paste bij de snel verloederende woonblokken en verwaarloosde parken. Een paar jaar geleden was het er tijdens de jaarwisseling flink uit de hand gelopen: vechtpartijen met de politie en overal brandende pallets en autobanden in stapels van wel tien meter hoog. De rellen hadden het landelijk nieuws gehaald.
‘Ga zitten’, zegt ze, terwijl ze de kraan even door laat lopen. Zelf neemt ze een glas sherry uit een fles die op het aanrecht staat.

Hij gaat zitten op een roomkleurig leren tweezitsbankje waar een losse zwarte vacht op ligt. Het is net Casper.

‘Had je nog speciale wensen? Je weet wat de mogelijkheden zijn?’
Hij knikt verlegen, betast het bankbiljet in zijn broekzak. ‘Doe maar gewoon.’
‘Het is honderd euro, voor een halfuur. Als je langer wilt blijven kan dat.’
Over een vluggertje zegt ze niets.
‘Nee, een halfuur is goed.’
Hij legt twee biljetten van vijftig op de salontafel, tussen pakjes sigaretten, lipsticks, balpennen en een glazen asbak omgeven door een miniatuur autoband: Garagebedrijf Beukers & zoon, uitlaten, banden, accu’s. Hij had verwacht dat ze het geld eerst op zou bergen, maar ze laat het liggen.
‘Waar wil je? Hier of liever in de slaapkamer?’
Hij kijkt om zich heen. Er is geen inkijk, maar het enorme venster lijkt op de lichtbak waar hij vroeger dia’s op sorteerde. Alles-onthullend licht.
‘Toch liever de slaapkamer, als het mag.’
‘Tuurlijk, anders zou ik het niet vragen. Proost.’
Ze nemen een slokje. Hij probeert geluidloos te slikken, maar juist daardoor lukt het niet.
‘Zullen we?’ Ze drukt haar sigaret uit. ‘Neem je glas maar mee.’
Ze wrijft over haar schoot, staat op. Aan het werk, betekent dat.

 

EX

Ze wilde uit eten, voor de laatste keer. En we moesten elkaar vertellen wat onze allermooiste herinnering was, alsof ze wilde inventariseren wat verloren ging.
‘Jij eerst.’
Natuurlijk, ik eerst. Ze had mijn stellende trap nodig om die te kunnen vergroten. Nee, te overtreffen. ‘Het is niet zo bijzonder.’
‘Vertel nou maar.’
‘Het gebeurde jaren geleden, nog voor wij elkaar kenden, toen ik nog in Groningen studeerde.’
Haar gezicht betrok. Ze bedoelde: een herinnering uit de tijd dat we samen waren, maar ik deed alsof ik dat niet had begrepen.
‘Ik was onderweg naar Amsterdam, over de Afsluitdijk. Er was verder geen verkeer. Een kraakheldere dag. De lucht was…’ – staalblauw wilde ik zeggen, maar dat klonk te plat – ‘als een pointillistisch schilderij. Miljoenen stipjes. Het water was rimpelloos. Er was niets te zien, alleen water en lucht.’
Ze haalde opgelucht adem. Gelukkig, een saai verhaal. Haar vingers visten het suikerklontje van haar schoteltje, ze las de tekst op de verpakking: suiker, sucre, sugar. Meer talen konden er niet op. Ik wachtte tot ze weer opkeek.
‘Ja, ga maar verder, ik luister wel.’
‘Toen was daar ineens, uit het niets, een zwaan. Wit. Een enorm beest.’
‘Op de Afsluitdijk? Was hij dood?’
‘Nee, in de lucht. Ze vloog links van mij, heel statig, met kalme vleugelslagen.’
‘Ze? Hoe weet je dat het een vrouwtjeszwaan was?’
Ik negeerde haar vraag. ‘Ik keek opzij en precies op dat moment draaide de zwaan haar kop naar me toe. We keken elkaar aan. Ze keek recht in mijn ziel, zo voelde het.’
Ze trok met haar mond en draaide haar hoofd weg, naar de parkeerplaats waar onze auto’s gebroederlijk in de regen stonden te wachten. Toen schokten haar schouders en liet ze het suikerklontje geërgerd vallen. ‘En toen?’
‘Ze knikte naar me.’
‘Ze knikte naar je? Een knikkende zwaan?’
‘Ja.’ Ik keek onzeker naar de papieren placemat: op de foto zag de friet er krokanter uit dan hij was. ‘Alsof ze haar goedkeuring gaf.’
‘Goedkeuring? Waarvoor?’
‘Geen idee. Alles. Mijn leven.’
Ze nam een slok uit haar lege kopje, trok een bitter gezicht. ‘Waarom heb je dit nooit eerder verteld?’
Ik haalde mijn schouders op. ‘Zo bijzonder is het niet.’
Als een drenkeling klampte ze zich vast aan mijn woorden. ‘Nee, zo bijzonder is het niet.’
Daarna dreef ze voorgoed van me weg.

Ex werd gekozen als beste verhaal van Heel Nederland Schrijft 2015