De boom in

Vrouw in boom
Fotocollectie Grand Foulard

Ik zie ze eigenlijk nooit, vrouwen in bomen. Maar als je af mag gaan op de foto’s, was het in de jaren vijftig vrij gebruikelijk. Ik heb er een paar van in mijn collectie. Geen fantastische opnamen, helaas, want die zijn door mijn Duitse concullega Jochen Raiss ingepikt. Hij heeft een indrukwekkende verzameling bij elkaar gesprokkeld waarmee hij met gemak twee boeken kon vullen: ‘Frauen auf Bäumen’ uit 2016 en ‘Mehr Frauen auf Bäumen’ uit 2017.

Vrouw in boom
Fotocollectie Grand Foulard

Waarom deden die vrouwen dat?

Van kinderen kan je zoiets verwachten: op jonge leeftijd verken je je grenzen, word je uitgedaagd, wil je erbij horen, overwin je je angsten. Maar waarom zou een jonge vrouw, vaak in nette kleren, zich langs een knoestige stam en een wirwar van takken naar boven wurmen? En nog een raadsel: klom de vrouw eerst die boom in, en kwam haar man, verloofde, vriend toen op het idee om haar te fotograferen? Of was er eerst het fototoestel en kwam daarna pas de gedachte op om eens gek te doen en een boom in te klimmen? Is de foto oorzaak of gevolg?

Volgens fotojournalisten moet ik er niets seksueels achter zoeken, maar volgens mij is het dat juist wél. Hoe zou je anders kunnen verklaren dat na de seksuele revolutie vrijwel geen enkele vrouw meer de boom in klimt?

Op weg

Fotocollectie Grand Foulard

Een half jaar na de begrafenis ging hij op reis. Te snel? Misschien, maar de liefde trekt zich niets aan van de tijd, of van normen en waarden. 

Maar nu, halverwege, sloeg de twijfel toe. De keuze om dat klere-eind weer terug te rijden, leek even onaantrekkelijk als de reis vervolgen. Blijven waar hij was, leek nog de beste optie. 

Hij schoot de snelweg af, zogenaamd om te tanken, maar de benzinemeter was nauwelijks van ‘max’ geweken. Bij het tankstation kocht hij chips in een kartonnen koker, naturel, want van paprika ging hij uit z’n mond stinken – Dus eigenlijk had hij de beslissing al genomen, besefte hij – en een flesje spa blauw.

Toen hij vanochtend vertrok had hij zich voorgenomen om ergens te gaan lunchen. Niet in een of ander ranzig wegrestaurant, maar in een pittoresk dorp, als voorschot op komende week. Vanochtend leek dat nog een heerlijk vooruitzicht, nu was alle eetlust verdwenen.

Het motregende, dus bleef hij in de auto zitten terwijl hij de chips een voor een vermaalde en met slokjes water wegspoelde. Op de parkeerplek naast de zijne deed een echtpaar besmuikt rek- en strekoefeningen bij hun Skoda. Een vrouw in een vuurrood joggingpak opende met het uiterste topje van haar wijsvinger het deksel van een afvalbak om een luier weg te gooien. Een man liet zijn chihuahua uit aan een veel te grote rollijn. Het waren het soort taferelen die hij elk jaar zag, maar deze keer voor het eerst alleen, zonder Emma. Vroeger hadden ze om dergelijke observaties gelachen, nu benadrukten ze zijn gemis.

Hij startte de motor. Volgens het navigatiesysteem nog tweehonderdzesentachtig kilometer. Drie uur en twaalf minuten, vanwege de bochtige binnenwegen in het laatste stuk. 

‘Ik gá gewoon,’ zei hij tegen zichzelf. Maar het duurde nog tot ver voorbij het eerste tolpoortje dat zijn uitgesproken beslissing ook een gevoel werd, alsof de rood-witte slagboom niet alleen de weg terug, maar ook zijn verleden moest afsluiten. 

Daarna ging het beter. Tijdens de laatste vijftig kilometer repeteerde hij opgewekt haar naam: Lisa, Lisa, Lisa. Tot hij zich realiseerde dat hij niet meer zeker wist of je Lisa met een s of een z schreef. En toen kwam ook de twijfel over de kleur van haar ogen, de geur van haar huid, de smaak van haar mond. Bij een witgepleisterd huis hield hij stil.

‘Bestemming bereikt’. Maar zo voelde het niet.

Rollebollen

Fotocollectie Grand Foulard

Deze kocht ik op een website voor verzamelaars. Met die aangesneden hoofden en rommelige compositie moet deze foto het hebben van het effect op de zintuigen. Een warme julidag. Ik voel en ruik het gemaaide gras dat ligt te drogen, ik hoor de kreten van plezier, ik zie de wereld tollen na te veel koprollen.

Fotocollectie Grand Foulard

Vanuit mijn behoefte om te ordenen koop ik korte tijd later een tweede foto van rollebollende kinderen. Pas na ontvangst zie ik dat het dezelfde kinderen zijn, en dezelfde moeders. Niet zo bijzonder, als de handelaar ook dezelfde was geweest. Maar de eerste foto komt van een man uit Normandië, de tweede van een vrouw uit Auvergne-Rhône-Alpes. Vijfhonderd kilometer van elkaar verwijderd. Er is vast een verklaring voor, maar dat ik tussen het aanbod van 1,7 miljoen foto’s op twee verwante foto’s stuit, beschouw ik als een mirakel. Meestal gaat weemoed gepaard met een warm gevoel, nu met een koude rilling.

Verontrustend (2)

Fotocollectie Grand Foulard

Een foto zegt meer dan duizend woorden is een van de meest onzinnige stellingen over fotografie. De meeste foto’s zeggen helemaal niets. Sommige foto’s roepen alleen maar vragen op, zoveel dat je er een naar gevoel van krijgt.

Zoals deze.

Een auto voor een groot huis, misschien een werkplaats of een boerderij. De ramen en brede deuren staan open, tegen de gevel groeit een weelderige klimplant. Het huis wordt door de felle zon beschenen, de auto staat in de schaduw. Het is zomer. Op het zanderig terrein ervoor ligt een rubberen slang, langer dan gebruikelijk, dikker ook. Rechts is een met stenen afgezet perkje te zien.

De auto is van Franse makelij, een Simca 9 Aronde, die tussen 1951 en 1955 heel populair was. Op basis van de grill durf ik te beweren dat het een Simca 9 Aronde Messagère betreft, een tweedeurs bestelbus-uitvoering.

Het portier aan de bestuurderskant staat open. Op de motorkap zit een kind, een meisje van ongeveer een jaar oud. Ze draagt een wit jurkje, witte sokjes en witte schoentjes. Misschien staat er iemand links van haar, maar die persoon is op de foto niet te zien. Dat maakt het beeld ongemakkelijk. Het voelt niet goed om zo’n klein kind onbewaakt op een motorkap te laten zitten.

Maar de foto wordt nog ongemakkelijker door de man achter de auto, deels verborgen achter het geopende portier. Hij draagt nette kleren, een wit overhemd en een donkere broek. En een geweer. Hij rent. Zijn linkerbeen vertoont bewegingsonscherpte. Achter het stuur zit een vrouw met donker haar. Is zij de moeder van het kind? Is de man met het geweer de vader?

De foto zou een opname van een filmset kunnen zijn, maar de amateuristische kwaliteit, het kleine vierkante formaat (9 x 9 cm) en de kartelrand passen daar niet bij.

Mijn blik wordt getrokken naar de vrouw achter het stuur. Ze lijkt voor zich uit te staren, niet naar het kind. Of kijkt ze helemaal niet, naar niets? Is er iets met haar gebeurd? Maar waarom lijkt het kind dan zo rustig?

Ik kijk weer naar de man. Waarom rent hij? Wat gaat hij met dat geweer doen? Is de grimas op zijn gezicht het gevolg van ingehouden plezier of de uiting van een gekwelde geest?

Ik blijf maar kijken: man, vrouw, kind, man vrouw, kind… Ik kom geen steek verder.

Wat is er gebeurd? Wat gaat er gebeuren?

Wie nam de foto? En waarom? Sommige foto’s stellen meer dan duizend vragen.

In de genen

Fotocollectie Grand Foulard

Vaak gaat het zo: iemand slentert met een paar vrienden of familieleden over de kermis. Ze belanden per toeval bij de schietkraam. Iemand uit het gezelschap stelt voor om een poging te wagen. Het resultaat – als er eindelijk raak is geschoten – leidt tot hilariteit en pogingen om nóg zo’n foto te scoren.

Fotocollectie Grand Foulard

Heel anders gaat het bij deze heer. Hij is een geroutineerd schutter, elke kermis komt hij meerdere keren, en altijd alleen. Het foto-resultaat is niet hilarisch. Hij trekt geen lachwekkend gezicht, althans, als je zijn verbeten gelaatsuitdrukking daar niet onder schaart. Hij draagt zijn nette pak en zijn fraaie vierkante horloge, en zijn haren zijn strak naar achteren gekamd. Hij is een man die het ver heeft geschopt, die respect afdwingt, maar ook een killer, iemand waar je voor uit moet kijken.

Fotocollectie Grand Foulard

Een dag later is hij er weer. Dit keer niet alleen. Het wordt tijd dat zijn zoon wordt ingewijd. Voor de gelegenheid heeft de man zijn netste pak aangetrokken en een ander horloge om gedaan. Beheerst geeft hij uitleg. Hij overhandigt zijn zoon het wapen en zet een stap naar achteren. Zijn zoon legt aan, knijpt één oog een beetje dicht, richt, brengt zijn ademhaling onder controle en haalt de trekker over.

Natuurlijk schiet hij raak. Het zit in de genen. Hij zal het nog ver schoppen.

Dikke vrienden

Fotocollectie Grand Foulard

Op een bepaalde leeftijd wil je je meest dierbare speelgoed overal mee naar toe nemen. Voor de jongen op deze foto uit de jaren dertig is dat een Michelinmannetje. Officieel heet het popje Bibendum, ontleend aan de Latijnse uitdrukking Nunc est bidendum (Nu moet er gedronken worden). Beetje vreemde naam voor een mascotte van een autobandenfabrikant.

De slogan werd voor het eerst gebruikt op een reclameaffiche uit 1898. De band ‘drinkt’ obstakels op de weg, zoiets werd ermee bedoeld. Het mannetje werd een hit. Het verscheen op cabines van vrachtwagens, op wegenkaarten en als speelgoed.

Afbeelding publiek domein

Het is niet zo vreemd dat de jongen op de foto zo gehecht was aan zijn Bibendum. In 2000 werd het Michelin-logo als beste van de eeuw gekozen. Blijkbaar verlenen de ronde banden het poppetje een hoge aaibaarheid. Een gezellige dikkerd, zoiets. Dat is het nog steeds, ook al werd hij bij zijn honderdste verjaardag iets slanker gemaakt.

Om te lachen

Fotocollectie Grand Foulard

Op de kermis kon je je vroeger laten fotograferen voor een geschilderd decor in een automobiel of vliegmachine van karton of hout. Het was een groot succes. Niet omdat het zo echt leek – niemand twijfelde ook maar een seconde – maar vanwege het plezier dat het opleverde. Juist vanwege het nogal knullige resultaat ontlokten de foto’s een lach. En dat doen ze nog steeds.

Fotocollectie Grand Foulard
Fotocollectie Grand Foulard

Tegenwoordig zijn er cabines waar je je in elk gewenst decor kan laten fotograferen. Dankzij green screen en digitale technieken is het een fluitje van een cent. Het resultaat is vrijwel niet van echt te onderscheiden. Maar om te lachen? Nee, dat is het zelden of nooit.

Fotocollectie Grand Foulard

Grenzen

Fotocollectie Grand Foulard

Nu we veelal digitaal fotograferen, is er eigenlijk geen grens aan het aantal opnamen. Een volle geheugenkaart wordt in The Cloud geleegd, en we kunnen weer vooruit. Vroeger was dat wel anders. Het filmrolletje dicteerde het aantal foto’s, hoewel er wel wat speling was. Een zuinige fotograaf begon al met fotograferen nadat het aanloopstrookje amper in het spoeltje was gestoken en hield er pas mee op als de transporthendel blokkeerde.

Negenendertig of veertig opnamen uit een rolletje van zesendertig was een aardige score, hoewel de eerste en laatste opname achteraf vaak onbruikbaar bleken. De fabrikant liet de emulsie pas ingaan na een ruim bemeten intro en hield er op tijd mee op. De halve foto’s belandden in de vuilnisbak. Dat maakt ze zeldzaam.

Deze redde het wel, zelfs een datum werd vermeld: maart 1961. Een oma met haar kleinkind langs de kant van de weg. Logisch dat deze halve foto overleefde. Niemand gooit een foto van een kleinkind weg. Er zijn grenzen.

Boksbalbril

Foto: Grand Foulard

Da’s lang geleden… trekbal, ook wel zoom-zoombal genoemd. Een gadget uit de jaren zeventig, maar weer terug van weggeweest. Er was niet zoveel aan, kan ik me herinneren. De enige – misplaatste – lol bestond uit de handigheid om de touwen met zo’n felle beweging uit elkaar te trekken, dat de ovale bal met een harde klap tegen de handvatten van de ander knalde.

Fotocollectie Grand Foulard

Nee, dan was dit ding een stuk toffer! Het bestond uit een forse bril met plastic spijltjes in plaats van glazen, met daaraan een elastiek en een opblaasbare bal. Door middel van boksbewegingen moest je de bal voortdurend in beweging zien te houden, wat resulteerde in een continu geruk aan de bril. Na een kwartiertje boksen had je een merkwaardige afdruk van het montuur in je gezicht staan.

We kregen de boksbalbril tijdens de zomervakantie van 1971. Als ik me goed herinner werden ze verkocht bij het Kaufhaus in Trier. Echt een rage is het niet geworden. Nu ik de foto zie, begrijp ik ook wel waarom.

Dood (2)

Af en toe figureer ik in een speelfilm of televisieserie. Althans, dat probeer ik. Het is namelijk helemaal niet zo eenvoudig om voor een figurantenrol geselecteerd te worden. Ook al hoef je niet meer te doen dan ergens te staan, lopen of zitten, je moet wel worden gecast. Soms lukt dat, meestal niet. Ook gisteren kreeg ik weer een afwijzing te verwerken. En dat terwijl ik alleen maar ergens dood op de grond zou moeten liggen. Kat in het bakkie, dacht ik. Niet dus. Er stond geen reden voor de afwijzing in de mail. Waarschijnlijk was er te veel animo, houd ik mezelf voor, hoewel de gedachte dat ik niet geschikt ben voor dode eigenlijk meer troost zou moeten bieden.

Fotocollectie Grand Foulard

Het blijft merkwaardig om een dode te fotograferen. Alsof je iemand bij leven niet of te weinig hebt gefotografeerd en dat manco probeert te herstellen. Wat moet je met zo’n foto?

Tot vroeg in de twintigste eeuw was het vrij gebruikelijk om iemand op zijn of haar doodsbed te (laten) fotograferen. De overledene werd keurig opgebaard, met gevouwen handen, gekamde haren, soms omringd met bloemen. De meeste mensen hadden zelf geen fototoestel, dus werd een echte fotograaf opgetrommeld. Met een foto werd het laatste eerbetoon vereeuwigd.

Misschien gebeurt dat nog steeds, misschien staan er op veel smartphones of in de cloud duizenden van dergelijke foto’s. Maar ik vermoed dat ze door niemand worden gezien. Waarom zou je de dood in de ogen willen kijken?