Aan zee

Foto: Grand Foulard

Wat is dat toch, met de zee… Of ligt het aan de zon, het zand, de wind? Waarschijnlijk aan alles samen, wat we voor het gemak ‘een dagje aan het strand noemen’.

Aan zee doen volwassen mensen gekke dingen. Ze worden weer kind. Ze spelen met zand, ze spelen met water. Ze staan als meeuwen met hun armen gespreid tegen de gierende wind. Ze scheuren op skelters over de Zeedijk. Ze eten ijs en wafels. Ze gaan tegen een talud liggen om te genieten van de vroege voorjaarszon terwijl bulldozers een eindje verderop het strand ophogen.

Aan zee vergeten we wat we zijn, wie we denken te zijn. Aan zee worden we weer even onszelf.

Sta-in-de-weg

Foto: Grand Foulard

Aan de Lijndraaiersstraat, pal achter het politiebureau, staat een enorme bunker. Ik heb het niet nagemeten, maar volgens de specificaties die ik op internet vind, is het geval 68 meter lang en 8,5 meter breed. De muren zijn minimaal 1,5 meter dik.

De kolos, een Duitse ‘Luftschutzbunker’, maakte onderdeel uit van de Atlantikwall. Deze vorm en grootte zijn uniek in België, en daarom is de bunker sinds 2011 beschermd. Dat heeft een keerzijde. Want wat mag je wél doen met een beschermd bouwwerk?

Plannen om er een archief van Oostende in te huisvesten, zijn niet verder gekomen dan artist impressions. Leuk voor de architect, maar dan houdt het ook op.

Inmiddels is het ‘nieuwe’ politiebureau er tegenaan gebouwd, waardoor er van de plannen om de bunker als ‘spil binnen de woonwijk te laten fungeren’, niets terecht is gekomen. Het betonnen gedrocht is nu vooral een sta-in-de-weg.

‘Hoewel het nog weleens zijn oorspronkelijke functie zou kunnen krijgen,’ mompelt een buurtbewoner, terwijl hij met een zorgelijke blik naar het oosten kijkt.

Een zondag in maart

Foto: Grand Foulard

Inspelend op de FAAR, het non-fictie boekenfestival van Oostende, staan er boekenkraampjes op de Groentemarkt. Boekenfanaten struinen langs tafels in vroeg voorjaarslicht.

Foto: Grand Foulard

Vier minuten lopen ervandaan opent de expositie van kunstenaarsduo Reniere&Depla in Galerie Lloyd in de Vlaanderenstraat. Liefhebbers van kunst luisteren aandachtig naar het welkomstwoord.

Foto: Grand Foulard

Weer een stukje verder, op de Zeedijk, trekt een betoging voorbij. Mensen die streven naar gelijkheid zingen en delen bloemen uit.

Drie verschillende evenementen waarbij mensen samenkomen voor iets wat ze belangrijk vinden, waar ze van houden, waar ze in geloven.

Dat er bij die laatste bijeenkomst politie op de been is, geeft wel te denken.

Selfie

Foto: Grand Foulard

Ik vind ze fascinerend, die fotocabines op stations en in grote winkelcentra. Nog steeds dragen ze de naam Photomaton, naar het apparaat dat werd ontwikkeld door Anatol Josepho, een Russische immigrant die begin jaren twintig naar de Verenigde Staten trok. Na jarenlang knutselen, installeerde hij de eerste cabine in 1925 op Broadway. Het was direct een enorm succes. Mensen stonden in een lange rij te wachten om zich voor 25 cent te laten fotograferen. Na acht minuten tuimelde een stripje met acht opnamen uit de gleuf. In de beginjaren stond er overigens nog wel een assistent naast de cabine om het proces in goede banen te leiden. Pas vanaf 1934 kon de machine het helemaal zelf. Dat wil zeggen… de technische kant van het proces. De rest moet je als ‘model’ nog steeds helemaal alleen doen. En dat valt niet mee. Want: hoe moet ik kijken? Moet ik lachen of juist niet? Is recht vooruit het beste, of is een nonchalante blik naar opzij misschien beter? Wanneer komt de flits? Zit ik niet te hoog of te laag? Allemaal onzekerheden. En dat zie je. Althans, bij de meesten. Anderen zitten erbij alsof ze nooit anders gedaan hebben.

Fotocollectie Grand Foulard

De fotocabines worden nog steeds gebruikt. Vermoedelijk door verlegen mensen die niet naar een fotograaf durven. En door mensen die in een melige bui een serie gekke bekken willen vastleggen. Zoals de vrouw waarvan ik het strookje vind dat ze per ongeluk heeft achtergelaten in de gleuf van de machine. Waarschijnlijk ging het haar om de lol van het maken, en niet om het resultaat.

Voor wat hoort wat

Foto: Grand Foulard

Op de Zeedijk loopt een vrouw. Ze zingt. Haar stem galmt onder de bogen van de Nieuwe Gaanderijen. In haar rechterhand houdt ze een microfoon met ingebouwde luidspreker voor haar rood gestifte mond, in haar linkerhand haar telefoon, waarschijnlijk de bron van haar begeleidingsmuziek.

Haar zangkunsten worden niet door iedereen gewaardeerd. Het klinkt dan ook best eentonig, dat Hare Krishna, Hare Krishna, Krishna Krishna, Hare Hare, Hare Rama, Hare Rama, Rama Rama, Hare Hare, en dat steeds weer opnieuw. Een man van een souvenirwinkeltje grijpt een toeter op perslucht en probeert haar van de wijs te brengen. Zonder succes, ze gaat dapper door.

Ik loop naar haar toe en vraag of ik een foto mag maken. Ze knikt, maar zonder te stoppen met chanten: Hare Krishna, Hare Krishna…

Pas nu ik de foto op mijn laptop bekijk, en inzoom op het display van haar telefoon, zie ik dat ik onderdeel was van een Live uitzending. Het systematisch verspreiden van de ideologie is een van de speerpunten van de Hare Krishna-beweging. Mijn bijdrage aan de uitzending werd met talloze applaudisserende hand-icoontjes verwelkomd.

Held

Foto: Grand Foulard

Op het binnenplein van de Koninklijke stallingen speelt een jongen basketbal. Zijn broek heeft de kleur rood uit de foto’s van Magnumfotograaf Harry Gruyaert. Hij ziet mijn camera en begint meteen de show te stelen. Moeiteloos laat hij de bal op zijn vinger rondtollen. Ik vraag hem of hij basketbal speelt bij de vereniging in de Koninklijke stallingen. Hij antwoordt in het Engels. Hij is gevlucht uit Syrië en heeft nog geen identiteitskaart, waardoor hij geen lid kan worden van de vereniging. Zodra hij die kaart heeft, gaat hij zich aanmelden. Tot die tijd mag hij van de beheerder een bal lenen om op de binnenplaats te trainen.

Hij houdt van muziek. Op zijn telefoon laat hij zijn helden zien: Eminem en Tupac Shakur. Hij kust zijn beeldscherm. Hij houdt ook van fotograferen, zegt hij, en hij laat een paar beelden op zijn telefoon zien: street art van de Crystal Ship route. Ik vraag hem wat hij later wil worden, fotograaf of basketballer. Je kunt van alles worden, zegt hij, je hoeft niet te kiezen. Ik maak nog een paar foto’s, hij wil ze graag hebben. Ik geef hem mijn kaartje, zodat hij me kan mailen en ik hem. Hij kust mijn kaartje. Hij vindt me een held, ik hem ook.

Ding

Foto: Grand Foulard

Ik had gehoopt dat er iets aan gedaan zou zijn. Een likje verf, een nieuwe gedenkplaat, maar helaas. Anderhalf jaar geleden was de staat waarin het verkeerde al erbarmelijk, nu nog steeds.

Op de Visserskaai staat iets wat lijkt op een krakkemikkige serveerwagen, of een afgedankt winkelwagentje. Door een magneetvisser opgedregd uit het Montgomerydok, denk ik, maar het is iets anders.

Het ‘ding’ vormt het onderstel van een transparante gedenkplaat, door weer en wind vervaagd. Met enige inspanning valt te lezen:

Het water, de zee, de Noordzee, la mer du Nord,

de aarde, het land, de polders, le plat pays

en de haven, de kade als brug, als poort.

Naar een open horizon op de universele klanken

van Le Plat Pays, Jacques Brel (1962)

Een monument voor de grootste chansonnier aller tijden. In 2005 eindigde hij nog als eerste in de grootste Belg-verkiezing van de Franstalige omroep RTBF. Bij de Vlaamse variant eindigde Brel als zevende. Hij lag vanwege zijn cynische teksten niet bij alle Vlamingen even goed.

Aan de overkant van het water, op de kademuur van de Sir Winston Churchillkaai, zijn de beginnoten van ‘Le Plat Pays’ aangebracht. De eerste noot werd op 20 april 1999 geschilderd door burgemeester Jean Vandecasteele. Tweeënhalve maand later moest hij weer opdraven, nu om het bovenbeschreven gedrocht te onthullen. Miche, de weduwe van Brel, was erbij. Ik vraag me af wat er op dat moment door haar hoofd ging. Misschien wel een zin uit ‘De nuttelozen van de nacht’: hun onmacht is hun hoogste macht.

Zand erover

Foto: Grand Foulard

Het is een stukje duinlandschap van niks, ingeklemd tussen het Onze-Lieve-Vrouw ter Duinenkerkje van Mariakerke en Raversijde-Bad. Toch is op deze plek een sensationele kunstroof beëindigd.

Bijna 44 jaar gelden, in de nacht van vrijdag 31 maart 1978, werden uit het Stedelijk Museum voor Schone Kunsten, toen gevestigd in het Feest- en Kultuurpaleis aan het Wapenplein van Oostende, drie schilderijen van James Ensor gestolen: ‘Mijn dode moeder’, ‘De Koets’ en ‘Zelfportret met bloemenhoed’. Even werd gedacht aan een 1 aprilgrap, maar er waren wel degelijk braaksporen en de schilderijen kwamen niet terug.

In het diepste geheim volgden onderhandelingen van de dieven met de politie. Er werd een briefje gevonden bij de Rijkswachtkazerne van Oostende waarin een bedrag van 9 miljoen Belgische franken werd geëist (in de vorm van vijf kilogram goud en de rest in Duitse marken, Amerikaanse dollars en Nederlandse guldens). Het briefje – in het Frans met sjabloonletters opgesteld – ging vergezeld van een fragment van het doek van ‘Mijn dode moeder’ en de belofte dat de schilderijen zouden worden vernietigd als er niet werd betaald.

De politie bedacht een list: ze wilden het doen voorkomen dat het briefje nooit was gevonden, om zodoende de dieven uit de tent te lokken om een tweede briefje te sturen. Helaas lekte deze list door toedoen van iemand van de Rijkswacht uit… Daarna volgden nog meer Bassie en Adriaan-achtige taferelen. In opdracht van de dieven vloog de politie met een Dornier 27 langs de kust tot aan Het Zwin (vlak bij de Nederlandse grens), daarna naar het kasteel van Wijnendale (bij Torhout), en via Diksmuide naar de Panne (vlak bij de Franse grens), in afwachting van een lichtsignaal om het losgeld te droppen. Het lichtsignaal bleef uit. Onder nooit opgehelderde omstandigheden werden ‘De Koets’ en ‘Mijn dode moeder’ enkele maanden later teruggevonden in de duinen bij De Haan.

Op 20 augustus 1980 vond een meisje uit Roeselare het derde schilderij – ‘Zelfportret met bloemenhoed’ – terug in de duinen bij Mariakerke. Het was waterdicht verpakt en begraven onder een halve meter zand. Het meisje dat het schilderij vond, had recht op 10 procent vindersloon.

Wie waren de daders? Is er losgeld betaald? Hoe zijn de twee eerste schilderijen terug verkregen? Die vragen zijn nooit beantwoord en de kans dat dat ooit nog gebeurt is klein. In de jaren negentig is het onderzoeksdossier overgebracht naar het Rijksarchief in Beveren, en nog geen twintig jaar later na ministeriële goedkeuring vernietigd.

Kerkbezoek

Foto: Grand Foulard

Het is nog kil. De deur van de Kapucijnenkerk staat open, dus grijp ik mijn kans. Een fraai interieur, veel minder sober dan de buitenkant doet vermoeden. Het liefst loop ik in natuurlijke rotatie, maar een vrouw dweilt de vloer van de rechterbeuk , waardoor ik noodgedwongen het linkerpad neem. Twee oudere mannen staan achterin te praten. Een van hen is zonder jas, waaruit ik concludeer dat hij hier thuishoort.

‘Die Caravaggio is niet te koop,’ grapt hij. En: ‘Het is geen echte, hoor.’

Ik complimenteer hem met zijn kerk. Hij is er rector, al ruim twintig jaar, na een leven als leraar. Over de tachtig, reken ik snel uit. Het is hem niet aan te zien.

‘U bent toerist,’ zegt hij. Blijkbaar is mij dat wel aan te zien, ook al word ik liever gecategoriseerd als ‘tijdelijk aangespoelde’.

In hooguit tien minuten hebben we het achtereenvolgens over het verschil tussen een pastoor en een rector, mijn herkomst, de variatie in schrijfwijzen van mijn achternaam, de schoonheid van Oostende, het licht, de zee, boeken in het algemeen en die van David van Reybrouck in het bijzonder. Onlangs kocht de rector Van Reybroucks laatste, over Indonesië, maar dat vindt hij pittige kost. ‘Congo is toch meer onze historie.’ Ik raad hem Kamer in Oostende aan, van Koen Peeters, met marines van Koen Broucke. De man herhaalt de titel een paar keer en belooft een bezoek aan boekhandel Corman.

‘Nooit stoppen met werken,’ raadt hij me aan.

Ik knik, we nemen afscheid.

‘Altijd welkom,’ zegt hij.

Bij de deur valt mijn oog op het wijwatervat, afgedekt met een velletje papier. ‘Omwille van een virus ….’ Het is misschien wat snel, na een kennismaking van amper tien minuten, maar dat briefje, die woorden, dat beletselteken, lijken mij typerend voor de levenshouding van de rector.

Als ik buitenkom, schijnt de zon.

‘U moet hier blijven,’ zegt de vriend van de rector die gelijk met mij de kerk verlaat, ‘u heeft de zon meegebracht.’

Zand

Foto: Grand Foulard

‘Alexander von Humboldt’, lees ik op een schip in de haven van Oostende. Die naam komt me bekend voor, maar de Wikipediapagina doet eerlijk gezegd geen bel rinkelen. Hij was een belangrijk natuurvorser en ontdekkingsreiziger, dat heb ik er in ieder geval van opgestoken. Het schip dat zijn naam draagt, is een Hopper Dredger schip. Het verband tussen die twee ontgaat me, maar dat geldt eigenlijk meestal voor namen van schepen.

Von Humboldt – het schip – wordt ingezet om zandbanken voor de kust op te slobberen en die vervolgens over het strand uit te kotsen. Dat doet hij zo’n beetje elke vijf jaar, als het strand door erosie dusdanig laag is geworden dat de zee bij hoog water gevaarlijk dicht de dijk nadert.

De Von Humboldt pompt het zand, vermengd met water, door roestige buizen naar het strand. Daar loopt het water weg, het zand blijft achter. Bulldozers rijden vervolgens af en aan, van ‘s ochtends vroeg tot ’s avonds laat, om het zand op de juiste plek te krijgen. Alleen al voor het Oostendse strand hebben we het over 600.000 kubieke meter. Als u weleens anoniem twee kuub zand heeft besteld voor op de oprit van uw vervelende baas, heeft u een idee van de hoeveelheid.

Op het strand, ter hoogte van de renbaan, graaft een machine een metersdiep gat. Je hoeft geen Alexander von Humboldt te heten om te zien dat dit met de ophoging van het strand niks te maken heeft. ‘Voor een kabel’, meer wil een man met een veiligheidshelm er niet over kwijt. Op een website vol jargon ontdek ik de verklaring. Er komt een optische glasvezelkabel tussen Oostende en Winterton in Engeland. Blijkbaar heeft de Brexit niet alle verbindingen verbroken.