Kapsalon

Rechtsboven me, aan het plafond, hangt een televisietoestel. Een natuurreportage. Ik hoor: ‘De buffelstier blijft wel drie dagen bij het vrouwtje rondhangen, in afwachting van haar toestemming om te paren. In die tijd eet hij nauwelijks en kan hij wel tot 90 kg van zijn gewicht verliezen.’

Ik zou wel een blik op de tv willen werpen, maar de kapper staat fanatiek met zijn scheermes te zwaaien, dus kijk ik maar naar voren, in de spiegel, naar mijn steeds kaler wordend hoofd en ik vraag me af hoe ze dat hebben bepaald, dat van die buffelstier en z’n gewichtsverlies.

Boulevard de Verdun

Langs de grauwe boulevard de Verdun valt eigenlijk niets te zien. Elke afleiding is welkom. In de verte: een blauw zwaailicht! De brandweer! De pas versnelt ongemerkt. Een brand kan snel om zich heen slaan, kan snel geblust zijn, dus elke seconde telt. Maar het valt tegen: slechts een rood busje en twee mannen, niet eens in vol ornaat. Eén ligt er op de grond, half onder een auto. Er staat een mandje paraat. Het zal toch niet waar zijn he? De brandweer uitgerukt voor een kat… De man kruipt overeind. Hij kijkt niet blij. Ook hij blust liever een fikse brand, dan dit kinderachtig gedoe. Hiervoor is hij geen brandweerman geworden. Hij cirkelt rond de auto, op zoek naar de kortste route naar z’n prooi. Met z’n stok-annex-wurgstrop duikt hij onder de neus. Het beest zit in de wielkast, onbereikbaar voor de stok. ‘Merde!’ vloekt de man onder de auto en z’n collega haalt een zaklamp om de hopeloze situatie mooi uit te lichten.

Een vrouw op veel te hoge hakken heeft een schoteltje melk gehaald, uit één van de grauwe huizen langs de boulevard. De wind blaast de helft van het schoteltje en de andere helft loopt op het asfalt als ze het onder de auto wil zetten en ze door haar enkels zwikt. Een wit spoor loopt langzaam tegen het dijbeen van de brandweerman.

Ze verliezen hun geduld. De eigenaresse van de auto wordt verzocht om langzaam achteruit te rijden. De inmiddels verzamelde menigte kijkt met ingehouden adem toe, verwacht elk moment een door merg en been gaand gekrijs en dik bloed dat langzaam uit de wielkast druipt, maar het blijft stil. De vrouw in de auto moet naar rechts draaien en naar links en dan blijken het toch vakmensen te zijn, want binnen twee seconden zit de kat in de strop en weer twee seconden later in de mand.

‘Wat gaat u met ‘m doen?’ wil de vrouw van de melk weten.

‘Naar het asiel,’ zegt de brandweerman emotieloos en hij ploft de mand, de strop en de zaklamp in het busje. Ze hebben nog meer te doen.

De vrouw wiebelt met haar enkels.

Het asiel.

Ze probeert nog een blik op de kat te werpen, maar de luchtgaatjes zijn te klein. Ze knikt. Ja, dat is misschien maar het beste. Het was ook wel een heel vies beest.

Saai

midget golf

Af en toe koop ik een foto of ansichtkaart op Ebay of Marktplaats. Het staren naar de oneindig lange reeksen met minuscule afbeeldingen, op zoek naar dat ene interessante fotootje, is verslavend. Nog één pagina, dan stop ik, nog ééntje, dit is echt de laatste… Het gaat om kleine bedragen, maar de aankopen worden door de internethandelaren met de grootste zorg verzonden. Ter versteviging van de envelop wordt er een stuk karton meegestuurd, geknipt uit een pak soep, cornflakes, of hagelslag. Je leert dus ook nog iets over het consumptiegedrag van de ansichtkaartenverkopers. Er zijn ook handelaren die als versteviging onverkoopbaar geachte kaarten gebruiken, met een afgescheurd hoekje, plakbandresten, of punaisegaatjes. Een enkele keer zit er een ansichtkaart bij waar ogenschijnlijk niks mis mee is, behalve dan dat het onderwerp zo saai is, dat niemand die kaart ooit zou kopen, denken ze. Dat is een misvatting. Saaie kaarten zijn big business. Hoe minder spectaculair, hoe beter. Kale vlakten, troosteloze gebouwen, grijze luchten. Less is more. Dat is het Martin Parr effect. Sinds hij ‘Boring Postcards’ uitgaf, speuren koopjesjagers het internet af op zoek naar foto’s die in dat boek niet zouden misstaan. Laatst ontving ik bij een aankoop, een kaart van een midgetgolfbaan als versteviging en kort daarop weer één. Toen had ik er twee, en dus een probleem, want twee is een verzameling. Vanaf dat moment moet ik dus ook speuren naar kleine strookjes terra cotta in een groen rechthoekje, dat na aanklikken in sommige gevallen inderdaad een midgetgolfbaan blijkt te zijn. Ik heb er nu twaalf. Te weinig om er een boekje mee samen te stellen, te veel om er mee te stoppen. Ik zoek dus ijverig verder. Ik beperk me tot kleurenfoto’s, want er zijn grenzen: zwart-wit is wel erg saai.

Roze

Ik heb één babyfotoalbum. Het heeft een roze kaft. Verwachtten mijn ouders een meisje? Waren ze progressief? Of was het in de aanbieding? Waarschijnlijk dat laatste. Het boek begint met foto’s van mijn doop, daarna volgen foto’s van de eerste keer in het badje, de eerste keer in de box en de eerste keer vast voedsel (mijn moeder stond het vast niet toe dat haar blote borst werd gefotografeerd). Daarna volgen in rap tempo foto’s van verjaardagen één tot en met twaalf, een paar schoolfoto’s en wat vakantiefoto’s (Zwarte Woud, Ardennen, Zeeuwse kust).

De voorgedrukte teksten om de ouders te helpen bij het noteren van belangrijke momenten zijn niet optimaal benut. Zo weet ik dat ik na zes weken vier kilogram en vierhonderd gram woog, maar wanneer ik voor de eerste keer lachte of mijn handjes ontdekte blijven onvermeld. Achterin het boek is ruimte voor notities over inentingen tegen (kinder)ziekten, maar die is volgeplakt met vakantiefoto’s: Paul, Frits en ik, duimend in onze slaapzakken, ik in een te grote zwembroek met een visnetje in de branding. ‘Tyfus en paratyfus, kinderverlamming’ staat eronder in drukletters en daarachter, handgeschreven: ‘Zoutelande, 1970’.

Bad

Het begon in de trein, op weg naar mijn werk. Een mede-reiziger zei, nadat hij me een poosje heimelijk had zitten observeren: ’U lijkt op iemand…’

Ik glimlachte verlegen. Ik ben niet zo van de praatjes, zeker niet in een overvolle trein.

Hij bleef me onderzoekend aankijken. Toen klaarde zijn gezicht op. ’Ja, nou zie ik het! U lijkt op Walter Weit! Is u dat nooit eerder gezegd?’

Ik glimlachte nog maar een keer. Wie was Walter Weit? Een kennis van de man? Maar blijkbaar kende de passagier naast hem Walter Weit ook, want ook deze man knikte bevestigend: ’Ja, absoluut!’

Daar bleef het bij. De trein rolde het station binnen en we stapten uit.

Op kantoor googelde ik ’Walter Weit’, en toen dat niets opleverde, ’Walter Wijt’ en varianten met een d en ’Walther’ met een h. Pas nadat ik een collega vroeg of hij wist wie Walter Weit was, kwam ik erachter: Walter White… Breaking Bad.

Het was inderdaad alsof ik mezelf zag. Niet op alle foto’s – op sommige zag mijn dubbelganger er ronduit angstaanjagend uit – maar in zijn nette overhemd… ja, dat was ik.

Die week keek ik een aflevering van seizoen 5 op teevee en nog één en nog één en nog één. Vier achter elkaar. En na een doorwaakte nacht – ik deed van pure opwinding geen oog meer dicht – kwam ik op mijn werk. Ongeschoren, doorgroefd gelaat, wallen onder mijn ogen… het maakte de gelijkenis alleen maar treffender.

Dezelfde collega – hij bleek een hard core Breaking Bad fan – leende me de complete DVD-box. Ik begon bij seizoen 1, keek elke avond en raakte vertrouwd met de personages. En ik vereenzelvigde me meer en meer met Walter White en zijn alter ego Heisenberg. Maar mijn fascinatie ging verder dan dat. Toen ik toe was aan een nieuwe bril, koos ik geen eigentijds model, maar het nogal gedateerde montuur van Walter White, en in plaats van een vlot spijkerjasje kocht ik een traditioneel beige windjack. Ik overwoog zelfs de aanschaf van een Pontiac Aztek.

Vóór Breaking Bad had mijn leven zich nogal kabbelend voltrokken; weinig pieken, weinig dalen. Mijn uiterlijk sloot daar naadloos op aan. Maar nu paste mijn uiterlijk ineens bij iemand die mijlenver van me afstond; een man die weliswaar net als ik eerst niet veel voorstelde, maar voor zichzelf koos toen hij besefte dat hij niets te verliezen had.

Het is niet zo dat ik door mijn gelijkenis met Walter White alle remmen losgooide. Ik stortte me niet op de productie van crystal meth of een andere synthetische drug. Ik lapte de normen en waarden niet aan mijn laars. Maar mijn houding, die veranderde wel. Van een vrijwel onzichtbare angsthaas werd ik iemand die meetelde, die ertoe deed. Op mijn eigen manier werd ik bad.

Helaas lijkt de ommezwaai van korte duur. Breaking Bad liep na het vijfde seizoen ten einde, Walter White ging dood. Ik stond er weer alleen voor.

Pasgeleden zat ik met een paar collega’s in de bedrijfskantine. De lunchtijd zat erop en ik sloeg met mijn vlakke hand op tafel. Iedereen keek me geschrokken aan. Ik trok mijn Heisenberg-gezicht en zei: ’Okay, let’s cook!’ Het leek mij wel een grappige manier om aan te geven dat we maar weer eens aan het werk moesten.

Het bleef akelig stil en iedereen keek me een beetje meewarig aan. Uiteindelijk begon een vrouwelijke collega zenuwachtig te giechelen. ’Ja, fantastisch, hè?’ zei ze. ’Heel Holland bakt! Echt een super vet programma, vind ik dat!’

Blijkbaar begin ik weer gewoon op mezelf te lijken.

Hobby

De meeste hobby’s zijn onschuldig.

Natuurlijk zullen de huisgenoten van de postzegelverzamelaar, de pottendraaier, of de orchideeënkweker soms klagen dat er te veel geld en tijd in de liefhebberij gaat zitten, maar verder heeft niemand er last van.

Anders wordt het, wanneer je vader een Oldsmobile Cutlass uit 1964 heeft en je achterin moet gaan zitten, op een Amerikaanse vlag, terwijl hij, voor z’n hobby, tergend langzaam langs starende toeschouwers en vervelende fotografen rijdt.