Misleidend

Drie boeken voor een tientje, bij de Slegte. Deze, van Christian Gailly, sprong er voor mij direct uit. Ja, vanwege de cover. Zwart-wit foto. Zwart-wit foto’s zijn bijna altijd beter dan kleuren foto’s. Vroeger niet, toen was het gewoon goedkoper, maar nu is het een bewuste keuze van de vormgever.

Jonge vrouw met Cleopatra kapsel, grote, donkere ogen in een bleek gezicht. Ze staat aan een bar, achter een glas “33” Export bier. Heel erg Frans. Volgens de tekst op de achterzijde gaat het boek over jazz en over de liefde. Die combinatie is veelbelovend. Als het niks blijkt te zijn, heb ik in ieder geval voor 3,33 euro een mooie foto.

Het boek is even wennen. Veel korte zinnetjes, bijna staccato. De coverfoto suggereert een meer romantische stijl, minder onderkoeld, maar dan krijgt het verhaal me te pakken en vergeet ik de vrouw op de foto. Logisch, want die vrouw komt namelijk helemaal niet in het verhaal voor. De vrouw in het boek heet Debbie Parker. Ze is een Amerikaanse en ze is helemaal niet zo jong meer: “Toen ze bewoog om haar badtas, haar rommeltas met koord, neer te zetten, zag Simon dat haar huid er aan de binnenkant van haar dijen en bovenarmen verfomfaaid uitzag. Debbie was inderdaad ouder dan ze leek.” Die vrouw op de cover kan heus wel ouder zijn dan ze eruit ziet, maar ik weet zeker dat ze geen verfomfaaide huid heeft. Geen idee wie ze is, maar Debbie Parker is ze niet.

Het boek is prachtig. Maar als ik het dichtsla en in de zwarte kijkers van de cover-vrouw kijk, voel ik me toch een beetje misleid. Alsof er een verkeerde wikkel om een conservenblik zat: appelmoes in plaats van doperwtjes, zoiets.

Reflecties

Foto’s zijn reflecties van het leven, maar als je veel naar foto’s kijkt gaan ze andersom werken: in het dagelijks leven ga je foto’s herkennen. Zo meende ik in deze groep mensen aan de oever van een kreek een foto van Henri Cartier Bresson te zien.

Thuis bleek de overeenkomst met ‘Au bord de la Marne’ uit 1938 maar matig. Blijkbaar is de foto van HCB zo’n icoon geworden dat de waarneming van een paar mensen aan een oever al voldoende is om de realiteit te verdringen.

(On)opvallend

Nieuwmarkt kermis Amsterdam (1963), Ed van der Elsken 

De wereld is te vol, de mensen zijn zich te veel bewust van de media. Fotografen die puur menselijk gedrag willen fotograferen krijgen het steeds lastiger. In de tijd van Ed van der Elsken kon je met een vriendelijke grijns op je gezicht een heel eind komen, maar tegenwoordig heb je zo een klap voor je hoofd als je iemand ongevraagd fotografeert.

Met een fikse telelens is de kans op een veilige ontsnapping aanzienlijk vergroot, maar de fotograaf kan niet echt rekenen op respect van de liefhebbers van ‘echte mensen fotografie’: ze vinden de afweging om met een 1000 mm kanon in de struiken te gaan liggen eerder laf dan verstandig.

Een andere aanpak is de verborgen camera. Bert Haanstra deed het al, met zijn filmcamera in een boodschappentas en Walker Evans verstopte tussen 1938 en 1941 zijn camera onder zijn jas om ongezien mensen in de metro van New York te kunnen fotograferen. Wat recenter maakte Merry Alpern de serie ‘Shopping’ over winkelende mensen, met behulp van een videocamera en een geprepareerde tas.

Dirty Windows, Merry Alpern

Je kunt het nog verder doorvoeren door je als fotograaf te verstoppen. De eerder genoemde Merry Alpern deed dat bijvoorbeeld met haar ‘Dirty Windows’ serie. Ze huurde een kamer aan de overkant van een bordeel in Wall Street en fotografeerde door het (beslagen) raam van de toiletten de klanten en prostituees terwijl ze hun transacties verrichtten of drugs gebruikten. Maar niet alle onderwerpen laten zich fotograferen vanuit een veilige kamer.

Kohei Yoshiyuki

Het spel van exhibitionisten en voyeuristen in een park in Tokyo, begin jaren zeventig van de vorige eeuw, kon Kohei Yoshiyuki alleen fotograferen door op te gaan in ‘het publiek’. Hij gedroeg zich als een van de mannen die zich vergaapten aan de vrijende stelletjes in het park. Na verloop van tijd begon hij foto’s te maken, met een infrarood flitser die met het blote oog niet is waar te nemen.

Camera van Miroslav Tichý

Niet opvallen is dus het credo. Hoewel, het omgekeerde werkt merkwaardig genoeg ook: zorg dat je er uitziet als een ongevaarlijke zonderling. De Tjechische fotograaf Miroslav Tichý maakte, waarschijnlijk onbedoeld, gebruik van die aanpak: zijn verwilderde uiterlijk in combinatie met zijn zelfgebouwde camera’s van toiletrolletjes, karton en plakband zorgden ervoor dat niemand kon geloven dat die gekke man daadwerkelijk foto’s maakte…

Antwerpen, uit de serie The Europeans, Reinier Gerritsen

Je hoeft er niet per se gek uit te zien. Fotograaf Reinier Gerritsen trok een fluorescerend hesje aan en was zo in staat om vrijwel ongezien op straat te fotograferen. Het schreeuwerige hesje trok heel even de aandacht: hé, een straatwerker… Maar daarna werd de aandacht uitgeschakeld, want waarom zou je je kostbare energie besteden aan iemand die iets aan het wegdek moet repareren, of aan een lantaarnpaal?

Dus daar liggen kansen voor de moderne straatfotograaf: trek aandacht met een hoop toeters en bellen en luttele seconden daarna sta je weer alleen op de wereld.

Doe maar niet

Ik zag ze zitten aan de hoek van de tafel. Het was feest, maar aan hun gezichten kon je dat niet zien. Met hun kleding was niets mis en geen haar op hun hoofd zat verkeerd, maar ze leken op de een of andere manier niet op hun plek. Dat soort mensen vraagt om een foto.

Na de flits werd hun blik zo mogelijk nog gereserveerder. De man wenkte me met een minuscule vingerbeweging. Hij zei iets in het Frans. Ik keek waarschijnlijk nogal onnozel, want hij herhaalde het in het Engels. Of ik ze ‘some other time’ wilde fotograferen. Hij gaf me een visitekaartje. Een heel beschaafd kaartje. Heel veel wit, geen toeters en bellen. De man was iets heel hoogs bij een heel belangrijke organisatie.

Kijk, zo kun je ook zeggen dat je niet gefotografeerd wil worden.

Aangerommeld

Een rommelige foto. Twee mannen en een vrouw in een kantoor met een afgiftebalie. Een polaroidfoto uit Italië.

Ook zonder voorkennis kun je zien dat de foto werd gemaakt in een land rond de Middellandse Zee. Aan het gebaar van de twee mannen. ‘Mostrare le corna’ wordt het daar genoemd. In het Nederlands: laat de hoorns zien, of de bokkengroet.

In de Griekse oudheid en door de Kelten werd het kwaad ermee bezworen… of toegewenst. In het moderne Italië en Spanje heeft het een seksuele connotatie: je partner gaat vreemd. Deze betekenis schijnt te stammen uit de tijd dat mannen ten strijde trokken, op hun hoofd een helm met twee stierenhoorns. Hun vrouwen bleven achter… en zochten troost bij de achtergebleven mannen van het dorp.

Op de foto maken beide mannen het gebaar. Naar wie? Naar elkaar? Naar de fotograaf? En welke vrouw gaat vreemd? De vrouw die (quasi) nietsvermoedend een formuliertje staat in te vullen? Die vragen verlenen zelfs de rommel op de foto een symbolische betekenis.

Je kunt het gebaar gerust maken in je eigen winkel, maar op de openbare weg riskeer je in Italië een boete van 50 euro. Dan voel je je toch een beetje genaaid.

Cabine

Ik kan het niet laten: iedere keer als ik langs een fotocabine loop, tuur ik naar de grond, op zoek naar een verloren of weggegooid pasfotootje. Het is vergeefse moeite. Sowieso worden fotocabines in Nederland nauwelijks gebruikt, maar mocht er al iemand een fotootje hebben laten vallen, dan is er direct een heel leger verzamelaars en kunstenaars me voor. Na films als ‘Le Fabuleux Destin d’Amélie Poulain’ en kunstenaars als Joachim Schmidt, worden zelfs de meest onbeduidende fotosnippertjes opgeraapt en als kostbaar kleinnood bewaard of als hedendaagse kunst tentoongesteld. 
In het buitenland is er meer kans op geluk. Deze vond ik in Parijs, bij Gare du Nord, nog geen tien minuten na aankomst in de stad. Prachtig hè? Eigenlijk moet ik ’m niet laten zien. Straks gaat u ook nog lopen turen.

Preventief

Van de week werd ik op straat aangehouden door een bosje politieagenten, op klaarlichte dag. Of ik mee wilde werken aan een preventief fouilleren-project. Omdat ik zelf ook altijd hoop dat mensen aan mijn projecten willen meedoen, stemde ik toe. Ik moest met m’n benen uit elkaar gaan staan en met m’n armen gespreid, als de man van Vitruvius. Een jonge agent ging achter me staan, terwijl een ervaren rot toekeek. De jonge handen fladderden over m’n armen, kietelden onder m’n oksels, kropen langs m’n benen en wogen m’n testikels. Daarna moest ik honderdtachtig graden draaien en werd de procedure herhaald. Er werden geen wapens gevonden. Ik mocht gaan. Ik kreeg geen sticker. Mensen die niets hebben gedronken krijgen een ‘ik ben de BOB’-sticker, maar mensen zonder wapen krijgen niets.

Een kilometer verderop zag ik een kanon staan. Toch ook een wapen, dacht ik, maar blijkbaar te oud om onder het preventief fouilleren-project te vallen. Het is ook een ding dat door de meeste mensen niet als wapen wordt herkend, maar als handige fietsenstalling. En de loop fungeert regelmatig als afvalbak voor frietbakjes en milkshakebekers. Maar het blijft een wapen. Jammer dat de agenten niet hier stonden, want dat had beslist een aardige discussie opgeleverd.

Een dag later zag ik er weer een, dacht ik. Ja, van preventieve projecten ga je gekke dingen zien.

Flessenpost

Op het strand vind ik een heupflacon, zo eentje van roestvrij staal. Ik draai het dopje van de fles, snuif en denk aan… ramen zemen.

Dat komt door Premek. Premek is een Tsjech die wel eens een paar nachten bij ons heeft gelogeerd. Hij nam, zoals je dat van iemand uit het oosten mag verwachten, een paar geschenken mee. Eén daarvan was een fles met een door hemzelf geproduceerde alcoholhoudende drank. Het was een fles van helder glas met een handgeschreven etiket. Ik weet niet meer wat er precies op stond, maar 40% kan ik me nog wel herinneren. Het spul was niet te zuipen. Na twee verplichte glazen borgen we de fles met een plechtig gezicht op, met de belofte om er op bijzondere momenten een slokje van te nemen. Die momenten zijn nooit gekomen. Premek ging terug naar Tsjechië en de fles verdween in het gootsteenkastje, naast de toiletreiniger en het afwasmiddel. Tijdens een ballorige bui is er een scheut van de drank in een emmer met water beland; het bleek een magnifiek middel om ramen mee te zemen. ‘Premek Wonder Cleaner’ was geboren. Het spul ging verbazingwekkend lang mee – dat kan ook komen omdat we niet zo vaak de ramen zemen – maar uiteindelijk was het spul dan toch op.

Premek is nooit meer komen logeren, dus deze vondst komt als geroepen. Het is dat Tsjechië niet aan zee ligt, anders zou je toch denken…

Mythe

Geen hond gaat er meer naar kijken: Victory Boogie Woogie. Amper zestig jaar oud en nu al bijna vergeten. Het laatste, onvoltooide schilderij van Piet Mondriaan, dat door een gift van de Nederlandsche Bank in 1998 werd aangeschaft voor 82 miljoen gulden (37 miljoen euro), trekt nauwelijks publiek. Ondanks de frisse kleuren hangt het er maar triest bij, in het Gemeentemuseum in Den Haag.

Nee, dan de Mona Lisa. Meer dan 500 jaar oud en nog steeds staan er elke dag duizenden fans zich te vergapen aan een portretje dat inmiddels is vervallen tot kitsch. Het publiek wordt direct vanaf de entree van het Louvre naar het werk geleid, alsof het de hoofdattractie in een pretpark betreft: die kant op voor de Python! Eenmaal in de zaal, wordt het publiek met koorden op veilige afstand gehouden. En er staan constant twee suppoosten klaar om in te grijpen als er toch iemand het lef heeft om de barricade te negeren. Niet dat er veel mis kan gaan: Lisa hangt in een metershoge glazen kist, onaantastbaar voor stof, vette vingers, accuzuur en stanleymessen.

Stel dat het Gemeentemuseum het werkje van het Louvre zou kunnen kopen – ik weet het, de gift zou nu van een andere instantie moeten komen – dan zal het publiek binnen een half jaar zijn verdampt. Waarom? Omdat Nederlandse musea de mythe rond een werk maar heel kort kunnen vasthouden. Heel even zullen we ons opwinden over het kapitaal dat voor het schilderijtje is betaald en daarna gaan we gewoon weer verder met televisiekijken.

Verscheurend

Waarom verscheurt iemand een foto van een kind? Een moeder doet zoiets niet. Een vriendin? Zou kunnen. Uit jaloezie, uit haat. Of misschien had het kind toch al een vriendje en is het uit. Liefdesverdriet. Blijkbaar vond het ex-vriendje weggooien alleen niet voldoende. Eerst het rechteroog eraf, daarna het restantje nog in tweeën. Een bewuste handeling. Misschien heeft het meisje het zelf gedaan. Uit schaamte: op een bepaalde leeftijd vind je jezelf maar stom. Of misschien heeft iemand de foto verloren en was de vinder zo teleurgesteld dat hij de foto verscheurde.

Jaren geleden trad Koos Alberts op tijdens de Nijmeegse Vierdaagse. Vanuit zijn rolstoel zong hij zijn hit: ‘Ik verscheurde je foto…’ In het publiek – afgepeigerde Vierdaagse lopers – stond een grapjas op, die met theatrale bewegingen de publiciteitsfoto van Koos in tientallen snippers veranderde. Koos zag het, maar zong dapper door, zijn stem nog klaaglijker dan anders.

Foto’s verscheuren maakt me triest. Dat doe je niet. Niet als er iemand op staat. Een foto van een fruitschaal of een landschap verscheuren doet me niets, maar een portret…