Verontrustend

picknick mensen op kleed in de natuur
Picknick in de natuur, 1932, fotocollectie Grand Foulard

Ik noem het dan wel een picknick, maar waar zijn de stokbroden, de salades, de kazen en de wijn? Een groezelige deken, meer is er niet. Echt vrolijk wordt er ook niet gekeken, maar dat was in die tijd misschien niet gebruikelijk.

Wat de foto verontrustend maakt, zijn dat meisje en die man in de achtergrond. Huilt ze? Wie is die man die haar vastpakt? Hij lijkt op te doemen uit de struiken, of wil hij daar juist tussen verdwijnen?De anderen lijken zich niet bewust van het mogelijk drama dat zich achter hen afspeelt. Is dit de laatste foto waarop het meisje is te zien, kort voordat ze spoorloos verdween en hun leven in een hel veranderde? Staat er daarom op de achterzijde in potlood geschreven: souvenir de la jeune?

Meret

Foto op Agfa Lupex papier, jaren 40, collectie Grand Foulard

Die witte schoenen….

Ik moest meteen aan Meret Oppenheim denken. Zij bond dergelijke schoenen met vliegertouw bijeen en plaatste ze op een zilveren ovale schaal: Ma gouvernante – My Nurse – Mein Kindermädchen.

Meret Oppenheim was een Duitse kunstenares (Berlijn, 1913 – Bazel, 1985). Haar werk wordt geschaard onder het dadaïsme en surrealisme. Mein Kindermädchen barst van de seksuele verwijzingen. Heel direct: de schoenen staan voor voeten- en schoenenfetisjisme. Het samenbinden is een verwijzing naar bondage. De omgekeerde schoenen zijn symbool voor onderwerping. De opening tussen de schoenen verwijst naar de vagina, dus het opgediende ‘gerecht’ staat voor orale seks. De witte schoenen zijn smoezelig: hoer versus maagd.

Het werk werd in 1936 tentoongesteld. Het publiek was geschokt en het werk werd door een bezoekster van de tentoonstelling in Parijs vernield. Meret maakte een nieuwe versie die zich nu in het Moderna Museet in Stockholm bevindt.

Met die achtergrond lukt het me niet om onbevangen naar deze foto te kijken.

O ja, op de achterzijde van de foto staat een stempel van een opticien in Lörrach, een kleine stad in het zuidwesten van Duitsland. Slechts twaalf kilometer ervandaan ligt Bazel, de stad waar Meret Oppenheim overleed…

Gemakzuchtig brein

Voor veel westerlingen zijn Aziaten één pot nat. ‘When you’ve seen one, you’ve seen them all.’

Onderzoekers van de universiteiten van Glasgow en Fribourg hebben aangetoond dat neuronen in het brein weinig moeite doen om de gezichten van mensen van een ander ras uit elkaar te houden. Die bevinding is vooral van belang in de rechtszaal: de ooggetuigenverklaring van een Amsterdamse taxichauffeur tegen een Chinese zakenman zou wel eens heel onbetrouwbaar kunnen zijn. Niet vanwege eventuele racistische motieven, maar door gebrek aan onderscheidend vermogen.

Maar waarom letten we niet beter op wanneer we iemand van het mongoloïde ras op straat tegenkomen? Dat heeft volgens mij met gemakzucht te maken. Ondanks onze bonte samenleving, hebben de meeste westerlingen nauwelijks directe relaties met Aziaten. Het is dus voldoende om op basis van een paar opvallende kenmerken (huids- en haarkleur, vorm van de ogen) de conclusie te trekken: dat is een ‘Chinees’. Het heeft geen toegevoegde waarde om de ander te herkennen. Zuiver luiheid dus: even snel een ‘etiketje’ plakken, want dat voorkomt onnodige hersenactiviteit.

Een dergelijke nonchalante selectie is echter onvoldoende om de individuen van het eigen ras te bestempelen. Het is namelijk essentieel dat we onze baas niet aanzien voor de buurman, of onze beste vriendin voor de vrouw van de bakker op de hoek. Het eigen ras moet dus nauwkeuriger worden bestudeerd om te voorkomen dat we sociale blunders begaan.

Ons treft niet alle blaam: andersom schijnen Aziaten ons ook niet uit elkaar te kunnen houden. Voor hen lijken alle Nederlanders op Linda de Mol, of op Paul de Leeuw. Tja, in dat geval mag je wel stellen dat de multiculturele samenleving is mislukt.

Misleidend

Drie boeken voor een tientje, bij de Slegte. Deze, van Christian Gailly, sprong er voor mij direct uit. Ja, vanwege de cover. Zwart-wit foto. Zwart-wit foto’s zijn bijna altijd beter dan kleuren foto’s. Vroeger niet, toen was het gewoon goedkoper, maar nu is het een bewuste keuze van de vormgever.

Jonge vrouw met Cleopatra kapsel, grote, donkere ogen in een bleek gezicht. Ze staat aan een bar, achter een glas “33” Export bier. Heel erg Frans. Volgens de tekst op de achterzijde gaat het boek over jazz en over de liefde. Die combinatie is veelbelovend. Als het niks blijkt te zijn, heb ik in ieder geval voor 3,33 euro een mooie foto.

Het boek is even wennen. Veel korte zinnetjes, bijna staccato. De coverfoto suggereert een meer romantische stijl, minder onderkoeld, maar dan krijgt het verhaal me te pakken en vergeet ik de vrouw op de foto. Logisch, want die vrouw komt namelijk helemaal niet in het verhaal voor. De vrouw in het boek heet Debbie Parker. Ze is een Amerikaanse en ze is helemaal niet zo jong meer: “Toen ze bewoog om haar badtas, haar rommeltas met koord, neer te zetten, zag Simon dat haar huid er aan de binnenkant van haar dijen en bovenarmen verfomfaaid uitzag. Debbie was inderdaad ouder dan ze leek.” Die vrouw op de cover kan heus wel ouder zijn dan ze eruit ziet, maar ik weet zeker dat ze geen verfomfaaide huid heeft. Geen idee wie ze is, maar Debbie Parker is ze niet.

Het boek is prachtig. Maar als ik het dichtsla en in de zwarte kijkers van de cover-vrouw kijk, voel ik me toch een beetje misleid. Alsof er een verkeerde wikkel om een conservenblik zat: appelmoes in plaats van doperwtjes, zoiets.

Reflecties

Foto’s zijn reflecties van het leven, maar als je veel naar foto’s kijkt gaan ze andersom werken: in het dagelijks leven ga je foto’s herkennen. Zo meende ik in deze groep mensen aan de oever van een kreek een foto van Henri Cartier Bresson te zien.

Thuis bleek de overeenkomst met ‘Au bord de la Marne’ uit 1938 maar matig. Blijkbaar is de foto van HCB zo’n icoon geworden dat de waarneming van een paar mensen aan een oever al voldoende is om de realiteit te verdringen.

(On)opvallend

Nieuwmarkt kermis Amsterdam (1963), Ed van der Elsken 

De wereld is te vol, de mensen zijn zich te veel bewust van de media. Fotografen die puur menselijk gedrag willen fotograferen krijgen het steeds lastiger. In de tijd van Ed van der Elsken kon je met een vriendelijke grijns op je gezicht een heel eind komen, maar tegenwoordig heb je zo een klap voor je hoofd als je iemand ongevraagd fotografeert.

Met een fikse telelens is de kans op een veilige ontsnapping aanzienlijk vergroot, maar de fotograaf kan niet echt rekenen op respect van de liefhebbers van ‘echte mensen fotografie’: ze vinden de afweging om met een 1000 mm kanon in de struiken te gaan liggen eerder laf dan verstandig.

Een andere aanpak is de verborgen camera. Bert Haanstra deed het al, met zijn filmcamera in een boodschappentas en Walker Evans verstopte tussen 1938 en 1941 zijn camera onder zijn jas om ongezien mensen in de metro van New York te kunnen fotograferen. Wat recenter maakte Merry Alpern de serie ‘Shopping’ over winkelende mensen, met behulp van een videocamera en een geprepareerde tas.

Dirty Windows, Merry Alpern

Je kunt het nog verder doorvoeren door je als fotograaf te verstoppen. De eerder genoemde Merry Alpern deed dat bijvoorbeeld met haar ‘Dirty Windows’ serie. Ze huurde een kamer aan de overkant van een bordeel in Wall Street en fotografeerde door het (beslagen) raam van de toiletten de klanten en prostituees terwijl ze hun transacties verrichtten of drugs gebruikten. Maar niet alle onderwerpen laten zich fotograferen vanuit een veilige kamer.

Kohei Yoshiyuki

Het spel van exhibitionisten en voyeuristen in een park in Tokyo, begin jaren zeventig van de vorige eeuw, kon Kohei Yoshiyuki alleen fotograferen door op te gaan in ‘het publiek’. Hij gedroeg zich als een van de mannen die zich vergaapten aan de vrijende stelletjes in het park. Na verloop van tijd begon hij foto’s te maken, met een infrarood flitser die met het blote oog niet is waar te nemen.

Camera van Miroslav Tichý

Niet opvallen is dus het credo. Hoewel, het omgekeerde werkt merkwaardig genoeg ook: zorg dat je er uitziet als een ongevaarlijke zonderling. De Tjechische fotograaf Miroslav Tichý maakte, waarschijnlijk onbedoeld, gebruik van die aanpak: zijn verwilderde uiterlijk in combinatie met zijn zelfgebouwde camera’s van toiletrolletjes, karton en plakband zorgden ervoor dat niemand kon geloven dat die gekke man daadwerkelijk foto’s maakte…

Antwerpen, uit de serie The Europeans, Reinier Gerritsen

Je hoeft er niet per se gek uit te zien. Fotograaf Reinier Gerritsen trok een fluorescerend hesje aan en was zo in staat om vrijwel ongezien op straat te fotograferen. Het schreeuwerige hesje trok heel even de aandacht: hé, een straatwerker… Maar daarna werd de aandacht uitgeschakeld, want waarom zou je je kostbare energie besteden aan iemand die iets aan het wegdek moet repareren, of aan een lantaarnpaal?

Dus daar liggen kansen voor de moderne straatfotograaf: trek aandacht met een hoop toeters en bellen en luttele seconden daarna sta je weer alleen op de wereld.

Doe maar niet

Ik zag ze zitten aan de hoek van de tafel. Het was feest, maar aan hun gezichten kon je dat niet zien. Met hun kleding was niets mis en geen haar op hun hoofd zat verkeerd, maar ze leken op de een of andere manier niet op hun plek. Dat soort mensen vraagt om een foto.

Na de flits werd hun blik zo mogelijk nog gereserveerder. De man wenkte me met een minuscule vingerbeweging. Hij zei iets in het Frans. Ik keek waarschijnlijk nogal onnozel, want hij herhaalde het in het Engels. Of ik ze ‘some other time’ wilde fotograferen. Hij gaf me een visitekaartje. Een heel beschaafd kaartje. Heel veel wit, geen toeters en bellen. De man was iets heel hoogs bij een heel belangrijke organisatie.

Kijk, zo kun je ook zeggen dat je niet gefotografeerd wil worden.

Aangerommeld

Een rommelige foto. Twee mannen en een vrouw in een kantoor met een afgiftebalie. Een polaroidfoto uit Italië.

Ook zonder voorkennis kun je zien dat de foto werd gemaakt in een land rond de Middellandse Zee. Aan het gebaar van de twee mannen. ‘Mostrare le corna’ wordt het daar genoemd. In het Nederlands: laat de hoorns zien, of de bokkengroet.

In de Griekse oudheid en door de Kelten werd het kwaad ermee bezworen… of toegewenst. In het moderne Italië en Spanje heeft het een seksuele connotatie: je partner gaat vreemd. Deze betekenis schijnt te stammen uit de tijd dat mannen ten strijde trokken, op hun hoofd een helm met twee stierenhoorns. Hun vrouwen bleven achter… en zochten troost bij de achtergebleven mannen van het dorp.

Op de foto maken beide mannen het gebaar. Naar wie? Naar elkaar? Naar de fotograaf? En welke vrouw gaat vreemd? De vrouw die (quasi) nietsvermoedend een formuliertje staat in te vullen? Die vragen verlenen zelfs de rommel op de foto een symbolische betekenis.

Je kunt het gebaar gerust maken in je eigen winkel, maar op de openbare weg riskeer je in Italië een boete van 50 euro. Dan voel je je toch een beetje genaaid.

Cabine

Ik kan het niet laten: iedere keer als ik langs een fotocabine loop, tuur ik naar de grond, op zoek naar een verloren of weggegooid pasfotootje. Het is vergeefse moeite. Sowieso worden fotocabines in Nederland nauwelijks gebruikt, maar mocht er al iemand een fotootje hebben laten vallen, dan is er direct een heel leger verzamelaars en kunstenaars me voor. Na films als ‘Le Fabuleux Destin d’Amélie Poulain’ en kunstenaars als Joachim Schmidt, worden zelfs de meest onbeduidende fotosnippertjes opgeraapt en als kostbaar kleinnood bewaard of als hedendaagse kunst tentoongesteld. 
In het buitenland is er meer kans op geluk. Deze vond ik in Parijs, bij Gare du Nord, nog geen tien minuten na aankomst in de stad. Prachtig hè? Eigenlijk moet ik ’m niet laten zien. Straks gaat u ook nog lopen turen.

Preventief

Van de week werd ik op straat aangehouden door een bosje politieagenten, op klaarlichte dag. Of ik mee wilde werken aan een preventief fouilleren-project. Omdat ik zelf ook altijd hoop dat mensen aan mijn projecten willen meedoen, stemde ik toe. Ik moest met m’n benen uit elkaar gaan staan en met m’n armen gespreid, als de man van Vitruvius. Een jonge agent ging achter me staan, terwijl een ervaren rot toekeek. De jonge handen fladderden over m’n armen, kietelden onder m’n oksels, kropen langs m’n benen en wogen m’n testikels. Daarna moest ik honderdtachtig graden draaien en werd de procedure herhaald. Er werden geen wapens gevonden. Ik mocht gaan. Ik kreeg geen sticker. Mensen die niets hebben gedronken krijgen een ‘ik ben de BOB’-sticker, maar mensen zonder wapen krijgen niets.

Een kilometer verderop zag ik een kanon staan. Toch ook een wapen, dacht ik, maar blijkbaar te oud om onder het preventief fouilleren-project te vallen. Het is ook een ding dat door de meeste mensen niet als wapen wordt herkend, maar als handige fietsenstalling. En de loop fungeert regelmatig als afvalbak voor frietbakjes en milkshakebekers. Maar het blijft een wapen. Jammer dat de agenten niet hier stonden, want dat had beslist een aardige discussie opgeleverd.

Een dag later zag ik er weer een, dacht ik. Ja, van preventieve projecten ga je gekke dingen zien.