
In MuZee zien we ‘Idylle aan het strand’, een film uit 1931 van de Oostendse cineast Henri Storck (1907-1999). Twee jonge mensen met prachtige atletische lichamen worden verliefd op het strand. Hun samenzijn wordt bedreigd door zijn militaire dienstplicht en haar strenge moeder, maar als ze die weten te ontvluchten zijn ze volmaakt gelukkig en vrij. Ze ontdoen zich van hun kleding, ze dansen, spelen met het warme zand.
De mooie jonge vrouw luistert naar het ruisen van de zee in een grote schelp. Ze laat de man luisteren. Imitatiegeruis, terwijl het echte ruisen om hen heen te horen is.
Die schelp, realiseer ik me, is een ‘prop’, een rekwisiet, want aan het strand van Oostende vind je dat soort schelpen niet. Misschien nam James Ensor, die in de film figureert, hem voor Storck mee. De moeder van Ensor had een schelpenwinkel op de hoek van de Van Iseghemlaan en de Vlaanderenstraat.
Langs de Zeedijk, tussen skelterverhuur en wafelbakker, zit een winkeltje met snuisterijen. Buiten staan rieten manden tot de rand toe gevuld met schelpen. Mensen kijken ernaar, wegen ze in hun hand. Zijn ze echt? Ze zien er te gelikt uit, tropisch, misplaatst. Een enkeling durft te luisteren naar het imitatiegeruis. Ze worden niet gekocht.
